Het begrip inrichting

Bij de milieuregelgeving voor bedrijven is het begrip inrichting belangrijk. Deze term is gedefinieerd in de Wet milieubeheer (Wm) en in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Voldoet een bedrijf aan de voorwaarden uit de Wm, dan is sprake van een zogenaamde Wm-inrichting. Als een bedrijf een Wm-inrichting is, moet het voldoen aan het Activiteitenbesluit. Bovendien is soms ook een omgevingsvergunning milieu of een omgevingsvergunning beperkte milieutoets nodig.

Wm

De Wm merkt een bepaalde activiteit als inrichting aan als deze aan twee voorwaarden voldoet:

  • De activiteit is een "door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht" (art. 1.1 lid 1 Wm). De term bedrijvigheid moet u ruim zien. Elke activiteit die de mens verricht, kan hieronder vallen. Of een activiteit 'bedrijfsmatig' is, hangt af van de vraag of er een winstoogmerk is en hoe de activiteit wordt geëxploiteerd. Bij 'bedrijfsmatige omvang' is van belang dat de activiteit niet als hobby is aan te merken en met een zekere regelmaat plaatsvindt. Met de zinsnede "die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht" wordt bedoeld dat de activiteit fysiek moet kunnen worden begrensd en dat de activiteit regelmatig of gedurende een langere tijd plaatsvindt.
  • Er moet een categorie uit bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor) van toepassing zijn (art. 1.1 lid 4 Wm).

Wabo

Op grond van de Wabo is sprake van een inrichting als het gaat om een inrichting in de zin van de Wm die een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder e van de Wabo moet hebben.

Categorieën inrichtingen en toepassing Activiteitenbesluit

Bij toepassing van het Activiteitenbesluit is het van belang tot welke categorie een inrichting behoort. Het Activiteitenbesluit onderscheidt drie typen:

  • Inrichtingen type A: categorieën die onder het zogenaamde lichte regime van het besluit vallen. Bij oprichting of wijziging geldt voor deze inrichtingen geen meldplicht aan het bevoegd gezag. Voorbeelden van A-inrichtingen zijn scholen en kantoren.
  • Inrichtingen type B: categorieën waarvoor geen vergunningplicht geldt en die geheel onder het besluit vallen. Voor deze categorie volstaat een melding. De meeste inrichtingen in Nederland zijn inrichtingen type B. Voorbeelden zijn horeca, metaal-electro, op- en overslagbedrijven en het reinigen en wassen van textiel. Bedrijven kunnen de melding doen via de Activiteitenbesluit Internet Module (AIM).
  • Inrichtingen type C: categorieën waarvoor een vergunningplicht geldt, maar die ook voor een deel van de activiteiten onder de voorschriften in hoofdstuk 3 van dit besluit vallen. Lozingen die in hoofdstuk 3 zijn geregeld, zijn onder meer huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. Voorbeelden zijn bedrijven die gevaarlijke stoffen opslaan en spoorwegemplacementen.

Lozingen vanuit type-A- en type-B-inrichtingen vallen volledig onder het Activiteitenbesluit. Voor type-C-inrichtingen vallen alleen de lozingen onder het besluit waarvoor in hoofdstuk 3 van het besluit voorschriften staan. Ook de zogenoemde IPPC-inrichtingen zijn inrichtingen type C. 

Heeft u suggesties? Laat het ons weten!

Stuur uw suggestie.
Vorige artikel Volgende artikel