Een lokaal boezemsysteem staat symbool voor een polder in het westen of noorden van Nederland. In de polder liggen een of meerdere kernen, de landbouw beslaat het grootste deel van het gebied en de rwzi watert niet af binnen het gebied. Een mooi voorbeeld van een dergelijk systeem is de polder rond de gemeente De Ronde Venen, met de kernen Mijdrecht, Wilnis, Vinkeveen en Amstelhoek en een groot landbouwareaal binnen de polder.


Figuur A Voorbeeld boezemsysteem

Lokale waterkwaliteitsproblemen in poldersloten of stadssingels blijven hier buiten beschouwing. Op hoofdlijnen wordt gekeken naar de algemene waterkwaliteit in de hoofdwatergangen in het gehele gebied.

Zie hoofdstuk 6 van de PDF.

Kenmerken
De kenmerken van het oppervlaktewatersysteem zijn:

  •  Totale oppervlak: 800 ha.
  • Oppervlakteverhouding: stadsgebied 20%, landbouw 80%. Landbouw (nutriënten) beïnvloedt het oppervlaktewatersysteem dus sterk. Bodemgebruik landbouw: vooral veeteelt, deels maïs.
  • Wateroppervlak: 10% van totale oppervlak.
  • Diepte: 1,5 m.
  • Oever: graskanten 50%, beschoeiing 50%.
  • Onderhoud: ingericht op waterhuishouding: ontwateringssysteem.
  • Doorspoeling: geïsoleerd systeem (wel zoete kwel 1 mm/dag: geen waterinlaat nodig).
  • Gebruik van oppervlaktewater: vissen, eventueel veedrenking.
  • Grondsoort: veen of klei. (In gevoeligheidsanalyse invloed van kwel en lokaal grondwaterregime meenemen.)

Kenmerken van het afvalwatersysteem:

  • Kernen met afvoerend oppervlak van 80 ha (50% verhard van 160 ha).
  • Stelseltype (twee uitersten):
    • 80 ha gescheiden, met alleen lozing via regenwateruitlaten;
    • 80 ha gemengd, met alleen lozing van overstort.
  • Alleen stedelijke lozingen, geen rwzi.

Onderzoeksvraag 1: welke waterkwaliteitsproblemen worden ervaren?
De waterkwaliteitsproblemen in een lokaal boezemsysteem zijn: (achter elk probleem staat cursief welke parameter medebepalend is)

  1. groene soep, kroos: N en P;
  2. ecologische achteruitgang, biodiversiteit: organische vervuiling, N en P, toxiciteit (metalen);
  3. problemen met beleving (schoonheid);
  4. bodemkwaliteit (relatief minder problematisch);
  5. (veedrenking is geen actueel probleem meer). 

Bij een lokaal boezemsysteem spelen de kortetermijneffecten een kleinere rol. Lokaal kunnen direct in de omgeving van een lozingspunt problemen ontstaan met bijvoorbeeld de zuurstofhuishouding of de bacteriologische kwaliteit. Maar door de grootte van het ontvangende water en de hiermee samenhangende verdunning zijn deze problemen naar aard en omvang niet ernstig. Op deze schaal gaat het vooral om de langetermijneffecten, zoals die gerelateerd aan eutrofiëring en de belasting met accumulerende stoffen. De volgende stoffen zijn in de verdere analyse meegenomen:

  • Stikstof en fosfaat, in verband met de van eutrofiëring afgeleide effecten.
  • Zware metalen en PAK’s als maat voor de accumulatie van verontreinigingen in de waterbodem.
  • Glyfosaat als bestrijdingsmiddel.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel