Voor de juistheid van de berekeningen is het erg belangrijk om het afvoerende oppervlak correct te bepalen. Besteed hieraan veel aandacht bij de voorbereiding van een onderzoek naar het hydraulisch functioneren van een rioolstelsel. In de praktijk blijkt dat onnauwkeurigheden in de toekenning van het afvoerende oppervlak sterk doorwerken in de rekenresultaten.De verschillende methoden om het afvoerende oppervlak te bepalen, geven verschillende nauwkeurigheden. Houd rekening met de volgende indicatieve nauwkeurigheden:

  • Veldopname: zeer nauwkeurig
  • Analoge tekening: nauwkeurig
  • Luchtfoto‘s: nauwkeurig
  • Digitale ondergronden: zeer nauwkeurig
  • Kentallen: niet nauwkeurig

Afwijkingen in de praktijk

Uiteraard is de maximaal mogelijke nauwkeurigheid sterk afhankelijk van de kwaliteit van het basismateriaal dat u gebruikt en de precisie waarmee u de werkzaamheden uitvoert. Bij alle gebruikte technieken blijft onzekerheid bestaan over het wel of niet aangesloten zijn van verschillende oppervlakken. Zelfs bij een gedetailleerde veldopname blijft het lastig om te zien of een regenpijp ondergronds is aangesloten op een infiltratievoorziening of toch op het riool. Echte zekerheid daarover krijgt u pas na individuele beproeving van alle aansluitingen en dat is een inspanning die doorgaans geen meerwaarde heeft voor de modellering.

Op- en afritten

In de praktijk blijkt dat voor sommige wijken het wel of niet opnemen van op- en afritten naar percelen een afwijking tot tien procent kan veroorzaken. Het kan dus belangrijk zijn om in de inventarisatie na te gaan of er informatie over rioolaansluiting van deze oppervlakken te achterhalen is. 

Lokale toewijzingsfouten

Naast fouten in het bepalen van grootte, locatie en type kan op lokaal niveau een toewijzingsfout ontstaan. Hierdoor wordt bijvoorbeeld een put of streng onrealistisch zwaar belast. Dat kan in de berekening leiden tot water op straat . Vooral bij beginstrengen of zeer grote dakoppervlakken speelt dit aspect een rol.

Benodigde nauwkeurigheid per modelconcept

In elk rekenmodel zijn het afvoerende oppervlak en het neerslag-inloopproces onlosmakelijk met elkaar verbonden. Maar per model varieert de mate van detail van de gegevens die u nodig hebt:

Rioleringsmodel of vereenvoudigd rioleringsmodel voor emissieberekeningen

Hierbij volstaat de inventarisatie van het verharde oppervlak conform de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) als u werkt met standaard inloopparameters in het standaard inloopmodel. Met deze set is de ervaring dat de rekenresultaten voldoende overeenkomen met de realiteit.

Rioleringsmodel om het hydraulisch gedrag rioolstelsel te toetsen

Aanvullend op de inventarisatie conform de BGT is het hierbij zinvol om de aanwezige verharding van op- en afritten van percelen mee te nemen. Zo krijgt u een goed beeld van het hydraulisch functioneren bij de ontwerpbelasting van het rioolstelsel.

Rekenmodel voor wateroverlastberekeningen (Rioleringsmodel met stroming over maaiveld of Maaiveldmodel met rioleringsmodel)

Hierbij moet u behalve het verharde oppervlak ook de bijdrage van het onverharde oppervlak meenemen. Dit onverharde oppervlak moet u als zodanig schematiseren in het neerslag-inloopmodel met bijbehorende (grote) neerslagverliezen door infiltratie en berging op het maaiveld.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel