Nadat u de omvang, de locatie en het type van de verschillende oppervlakken hebt vastgesteld, bepaalt u welke oppervlakken wel of niet naar de riolering afvoeren. Maak daarbij onderscheid tussen afvoer naar:

  • riolering (per streng);
  • oppervlaktewater;
  • infiltratievoorziening .

Informatie per oppervlak

In de opgebouwde database moet u per individueel oppervlak aangeven of het afvoert, en zo ja waarnaar. Ga in elk geval na:

  • of wegen in de periferie van de bebouwde kom wel of niet afwateren naar de riolering;
  • welke oppervlakken wel of niet op de riolering zijn aangesloten. Denk daarbij ook aan indirect lozende oppervlakken, zoals opritten bij woningen en groenstroken die kunnen afwateren op verharding die weer afvoert naar het rioolstelsel;
  • in hoeverre schoolpleinen en industrieterreinen afvoeren naar het rioolstelsel.

De BGT-inlooptabel biedt hiervoor een hulpmiddel op basis van de oppervlakken in de Basiskaart Grootschalige Topografie (BGT). 

Manier van toewijzen

Van elk (deel)oppervlak dat is aangesloten op de riolering legt u vervolgens vast naar welke plaats in het rioolstelsel het oppervlak afvoert. Dit kan niet heel gedetailleerd, want het is praktisch onmogelijk om van elk dak na te gaan of het aan de voor- of achterzijde van het betreffende perceel loost. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld opritten. In het algemeen leidt een afwijking van de praktijk op dit punt niet tot significante verschillen tussen het rekenresultaat en de werkelijkheid. Let wel op bij industriegebieden, waar het regelmatig voorkomt dat relatief grote afvoerende oppervlakken aanwezig zijn en bijvoorbeeld de voorkant van de daken naar de wegen afvoert en de achterkant naar de sloot. U kunt afvoerend oppervlak op verschillende manieren toewijzen:

  1. Thiessennet, waarbij u elke vierkante meter toekent aan de dichtstbijzijnde put of streng.
  2. U brengt waterscheidingen aan met een digitaal terreinmodel (GIS-technieken). Dit is met name van toepassing in hellende gebieden.
  3. Handmatig.

De methoden 1 en 2 werken met digitale bewerkingstechnieken. Hierbij moeten in het rioolmodel de x- en y-coördinaat (en bij methode 2 ook de z-coördinaat) van de putten bekend zijn. Het kan van belang zijn om in hellende gebieden waterscheidingen aan te brengen, waarbij bovenstroomsgelegen objecten minder zwaar worden belast dan lagergelegen objecten.

Veldopname bij grote oppervlakken

In bijzondere gevallen (bijvoorbeeld heel grote dakoppervlakken of grote oppervlakken op eindputten van topstrengen) kan een foutieve toewijzing wel tot merkbare verschillen leiden. Dan kunt u het best met een veldopname de juiste lozingspunten in de riolering vaststellen. Met een digitaal kolkenbestand kunt u controleren of op de gegeven locatie wel afvoerend maaiveld op de riolering is aangesloten.

Maaiveldmodel met rioleringsmodel

Voor een maaiveldmodel met rioleringsmodel hoeft u van de verschillende oppervlakken niet na te gaan waarop ze zijn aangesloten. Uit de maaiveldberekening volgt waar het water naartoe afstroomt. Het is van belang dat u in het maaiveldmodel de maaiveldoppervlakken zo compleet mogelijk opneemt, inclusief onverhard en ‘niet aangesloten’ oppervlak. Dit geldt overigens niet voor de daken. Daarvoor kunt u het best een 0D-inloopmodel gebruiken. Voor de daken dient u aan te geven of deze rechtstreeks op de riolering zijn aangesloten of afvoeren over het maaiveld.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel