Een rioolstelsel kan gemiddeld ongeveer 20-30 mm/h aan gelijkmatige neerslag via de lozingspunten verwerken zonder water op straat. Valt een bui in een relatief kort tijdsbestek, dan kan de neerslag door de transportafstanden tot (ernstige) hinder of wateroverlast leiden. De openbare ruimte biedt extra bescherming tegen wateroverlast. Traditioneel kan het profiel tussen de woningen aan weerszijden van een straat 60 mm bergen. Afhankelijk van verschillen in bebouwingsdichtheid, terreinhoogte en vloerpeilen is deze beschermingsgraad hoger of lager. Vooral in moderne wijken, zonder hoge trottoirbanden, met kleine voortuinen en lage vloerdrempels, is beperkte bescherming aanwezig.

Indicatie onder- en bovengrondse verwerkingscapaciteit hemelwater

De gemiddelde bergingscapaciteit van een gemengd rioolstelsel bedraagt 5-10 mm. De afvoercapaciteit van de lozingspunten bedraagt gemiddeld 20-30 mm/h. Verder heeft een gemengd rioolstelsel een pompovercapaciteit van gemiddeld 0,5‑1 mm/h. De capaciteit van een rioolstelsel om een bui ondergronds te verwerken zonder dat er water op straat optreedt staat gelijk aan de bergingscapaciteit plus de afvoercapaciteit. In hoeverre de in theorie beschikbare bergingscapaciteit kan worden benut hangt af van de mate van voorvulling. Ook moet het hemelwater eerst de lozingspunten hebben bereikt voordat deze gaan bijdragen aan de afvoer. 


Bij een gemiddeld vloerpeil van 15 cm boven maaiveld is in principe 150 mm berging aanwezig (geen bebouwing, vlak maaiveld). Maar hoe hoger de bebouwingsgraad, hoe minder ruimte om het hemelwater afkomstig van de bebouwing op te vangen. Uitgaande van een bebouwingsgraad van 50-80% kan de openbare ruimte (in een volledig vlak gebied) ongeveer 30-75 mm hemelwater bergen zonder wateroverlast. Door verschillen in terreinhoogten verzamelt het hemelwater zich op de laagste punten. Met name overgangen van hellend naar vlak gebied, lokale laagten in het terrein en bebouwing met een laag vloerpeil/lage souterrains zijn kwetsbare locaties voor wateroverlast.

 
In hellende gebieden is de opvangcapaciteit relatief laag doordat er geen bovengrondse bergingscapaciteit is. Bovendien is in hellende gebieden de kans op afstroming van onverhard oppervlak groter. Door klimaatverandering neemt de kans op zware buien toe en hiermee het risico op waterschade. Door meer (bovengrondse) ruimte voor de hemelwateropvang te creëren, afvoerroutes over het oppervlak in te richten en vloerpeilen af te stemmen op extreme neerslag, neemt het beschermingsniveau tegen wateroverlast toe (zie ook het overzicht van effectiviteit van klimaatadaptatiemaatregelen van Stichting RIONED). De afweging of de kans op wateroverlast acceptabel, onwenselijk of onacceptabel is, maakt u in een risico- of klimaatdialoog (Deltaplan Ruimtelijke Acceptatie).

Meer informatie

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel