Sinds het begin van de 21e eeuw is het basisrioleringsplan (BRP) gebaseerd op modelberekeningen van de (ondergrondse) riolering, waarbij gemeenten het functioneren voornamelijk beoordelen op:

  1. het functioneren bij een maatgevende belasting of bui;
  2. de theoretische emissie (vuiluitworp) vanuit overstorten met een 10-jarige neerslagreeks en een vaste toegekende rekenconcentratie en bezinkingsrendement van het chemisch zuurstofverbruik (CZV).

Deze specifieke invulling is het logische gevolg van ontwikkelingen in wet- en regelgeving door de jaren heen en 'common practice' in het werkveld van de rioleringsbeheerders.

Hydraulisch functioneren riolering

De opkomst van het BRP hangt samen met de grote naoorlogse stadsuitbreidingen en de daarvoor benodigde ontwerpberekeningen voor de aan te leggen rioolstelsels. De hydraulische capaciteit van rioolstelsels moest worden getoetst om na te gaan of de stelsels tijdens droog weer en normale buien het afval- en hemelwater ondergronds konden bergen en afvoeren, zonder dat water op straat kwam te staan. Dit gebeurde met ontwerpberekeningen. Als een rioolstelsel in de bebouwde omgeving na verloop van tijd te maken kreeg met uitbreidingen, aanpassingen en veranderende belastingen, werd het hydraulisch functioneren opnieuw met (her)berekeningen getoetst.

Door technische ontwikkelingen (op het gebied van computers en hydraulisch modelleren) werden eind jaren 80 hydrodynamische simulaties van de riolering mogelijk. Het doorrekenen van het hydraulisch functioneren van nieuwe en/of bestaande stelsels met buien uit de Leidraad Riolering werd een standaardonderdeel van een BRP.

De veelvoorkomende maatstaf 'geen water op straat bij een herhalingstijd van 2 jaar' (ofwel Bui08 uit de Leidraad Riolering ) is vooral een pragmatische norm, die mede voortkomt uit een gebrek aan verhang in veel Nederlandse rioolstelsels. De Europese maatstaf conform NEN-EN 752 geeft voor woonwijken als norm dat met een ontwerpbui met een herhalingstijd 2 jaar het waterpeil niet hoger komt dan de binnen-onderkant-buis (bob). Volgens deze maatstaf zouden de meeste systemen in Nederland ruimschoots onderpresteren. Maar in vlak gebied kan best tijdelijk water op straat staan zonder dat dit meteen tot overlast en schade leidt. Dus een minder strenge maatstaf voor water op straat in vlakke gebieden in Nederland is te verdedigen. De keuze voor een maatstaf voor de hydraulische capaciteit van de riolering is uiteindelijk aan de gemeente.

Hydraulische belasting transportsysteem en zuiveringen

Door de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) is het aantal rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's) in Nederland vanaf 1970 sterk toegenomen. Bijna al het afvalwater in Nederland wordt gezuiverd in een rwzi. Het aantal rwzi's is tussen 1981 en 2017 geleidelijk weer afgenomen van 505 tot 326. Kleine, lokale rwzi's zijn opgeheven en vervangen door grotere, centrale rwzi's die afvalwater van meerdere kernen ontvangen en zuiveren. Dit maakte het moeilijker om de hydraulische en biologische capaciteit van de rwzi af te stemmen op het aanbod. Zuiverings- en rioleringsbeheerders sloten hierop onderling afvalwaterakkoorden, waarin zij onder meer afspraken maakten over de af te nemen hoeveelheid afvalwater op het overnamepunt. Het overnamepunt definieerden zij als geografisch punt, inclusief hoogte. Meestal baseerden ze de hydraulische afname van hemelwater (de pompovercapaciteit) op de pompovercapaciteit van het referentiestelsel (theoretisch rioolstelsel) en de omvang van het aangesloten verharde oppervlak. Het BRP bevatte kenmerkenbladen op stelselniveau met daarin de kenmerkende afvoer uit het gebied bij droog weer (dwa) en bij neerslag (hwa).

Emissiespoor

Nadat in 1992 het rapport van de Coördinatiecommissie Uitvoering Wet Verontreiniging Oppervlaktewater (CUWVO) over de basisinspanning is verschenen, krijgt de emissie vanuit riooloverstorten veel aandacht. De Commissie Integraal Waterbeheer (CIW) heeft de basisinspanning in 2001 eenduidig geformuleerd als een maximale vuilemissie die gelijk is aan de emissie van een referentiestelsel. Het referentiestelsel is een theoretisch rioolstelsel met een acceptabele emissie. Om de basisinspanning te bepalen, werd het rioolstelsel hydrodynamisch doorgerekend. Maar hierdoor werd de benodigde reductie voor de basisinspanning eigenlijk op een te klein schaalniveau (van een stelsel ) beoordeeld. Het eigenlijke doel van de basisinspanning was immers een landelijke emissiereductie.

Op grond van de Wvo waren gemengde overstorten vergunningplichtig bij de beheerder van het ontvangende oppervlaktewatersysteem (tot de komst van de Waterwet in 2009). De emissiebenadering voor gemengde overstorten kreeg daardoor in het BRP veel aandacht. In de decennia rond de eeuwwisseling werden veel emissiebeperkende maatregelen genomen (randvoorzieningen, afkoppelen ). De onderbouwing van deze maatregelen is terug te vinden in de BRP's van die tijd.

Na de eeuwwisseling werd steeds duidelijker dat de 'ieder voor zich'-benadering van het emissievraagstuk niet tot de beste oplossingen leidde. Riolerings- en zuiveringsbeheerders gingen het afvalwatersysteem per zuiveringskring optimaliseren (OAS), waarbij zij investeringen herverdeelden om kosteneffectief tot een gezamenlijke emissiereductie te komen. In het BRP vastgelegde maatregelen vormden het vertrekpunt voor deze OAS-studies.

Tegenwoordig speelt het emissievraagstuk niet zo'n grote rol meer. De basisinspanning is gehaald en klassieke optimalisatiestudies zijn voor praktisch alle zuiveringskringen verleden tijd. Met de invoering van de Waterwet in 2009 is ook de overstortvergunning afgeschaft. De inmiddels gangbare invulling van het BRP met een theoretische emissie vanuit overstorten met een 25- of 10-jarige neerslagreeks en een vaste toegekende rekenconcentratie en bezinkingsrendement voor CZV is daarmee minder relevant geworden.

Waterkwaliteitsspoor

Naast het emissiespoor (de basisinspanning) is sinds de vierde Nota Waterhuishouding (1998) ook het immissiespoor (waterkwaliteitsspoor) aan het taakveld van de riolerings- en waterbeheerders toegevoegd. Het waterkwaliteitsspoor beschouwt de emissie via de riooloverstorten als een immissie in het ontvangende oppervlaktewater en beoordeelt of het oppervlaktewater deze vuillast kan ontvangen zonder grote en blijvende effecten op de chemische en biologische waterkwaliteit en/of waterbodemkwaliteit. Veelgebruikte methoden hiervoor zijn de TEWOR -methodiek (waarbij de zuurstofhuishouding in het ontvangende water na een overstorting wordt gemodelleerd) en de Ecologische Sleutelfactoren . In het waterkwaliteitsspoor worden knelpuntoverstorten geïdentificeerd, waarvoor aanvullende maatregelen (boven op de basisinspanning) nodig zijn.

In de meeste BRP's vanaf de eeuwwisseling heeft het waterkwaliteitsspoor een veel minder prominente rol dan het emissiespoor. In de praktijk is het waterkwaliteitsspoor (als het wordt uitgevoerd) een gezamenlijk traject van de riolerings- en waterbeheerder dat los van het BRP wordt gerapporteerd. Het BRP levert voor de waterkwaliteitsspoorstudie de piek- en jaaremissie per lozingslocatie.

Meer informatie over de kwaliteit van oppervlaktewater en waterbodem, en de relatie met de riolering vindt u in het kennisbankonderdeel Waterkwaliteit.

Grondwaterzorgplicht

Op grond van de Waterwet heeft de gemeente sinds 2009 ook een zorgplicht voor grondwater in de openbare ruimte. De grondwaterzorgplicht is daarmee (idealiter) ook onderdeel geworden van het (verbrede) BRP.

Gemeenten evalueren de grondwaterzorgplicht door grondwaterstanden te meten en deze te toetsen aan de gewenste ontwateringsdiepte. Ook gebruiken zij meldingen en klachten om zicht te krijgen op het functioneren van het grondwatersysteem. Een theoretische toetsing bij bestaande grondwatervoorzieningen is meestal niet zinvol door de grote invloed van de (variabele) staat van de grondwatervoorzieningen.

Stresstest klimaatadaptatie

Sinds 2019 moeten gemeenten een stresstest uitvoeren voor de klimaatthema’s wateroverlast, droogte, hittestress en de gevolgen van overstromingen. Deze verplichting is een uitvloeisel van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Voor de stresstest moeten gemeenten modelberekeningen met extreme (kunstmatige) buien uitvoeren, waarbij de bergings- en afvoercapaciteit van de riolering tekortschieten. De stresstest moet de interactie van riolering, maaiveld en oppervlaktewatersysteem in deze extreme omstandigheden inzichtelijk maken als startpunt voor de risicodialoog met bewoners, bedrijven en andere belanghebbenden. De stresstest, de risicodialoog en eventuele maatregelen die daaruit volgen, krijgen idealiter een plek in het Systeemoverzicht Stedelijk Water (SSW).

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel