Een schetsontwerp gaat niet specifiek in op de hoogteligging van individuele leidingen. Toch neemt u in het proces waar het schetsontwerp deel van uitmaakt belangrijke beslissingen over de hoogteligging. Denk aan:
  • het oppervlaktewaterpeil en de structuur van oppervlaktewater;
  • de maaiveldhoogte en het verloop daarvan over het plangebied;
  • de drooglegging, het grondwaterpeil;
  • de wijze van bouwrijp maken (integraal ophogen, gedeeltelijk ophogen, cunettenmethode) en de invloed daarvan op zettingen na aanleg. 

De drempels van overstorten moeten boven het buitenwaterstandniveau liggen om te voorkomen dat oppervlaktewater binnentreedt. Voor gescheiden stelsels is het ook wenselijk dat de uitlaat zó hoog ligt, dat het stelsel normaal gesproken droog staat en hierdoor toegankelijk is voor inspectie en onderhoud. Het verschil tussen maaiveldhoogte en de buitenwaterstand bepaalt de diameter van de hemelwaterleiding. Hoe kleiner het verschil, hoe groter de leidingdiameter bij een gelijke afvoercapaciteit moet zijn en hoe groter de kans op slibafzetting.

De keuze voor bovengrondse afstroming van hemelwater luistert zeer nauw met:

  • de hoogtebepaling van het maaiveld in de verkaveling;
  • de afstand tot wadi’s en oppervlaktewater;
  • de afspraken over waar particulieren het hemelwater moeten aanbieden.

In de praktijk zijn transportafstanden haalbaar tot 150 m bij een verhang van 0,3 procent (1 cm per 3 m). Dit betekent op een afstand van 150 m circa 50 cm hoogteverschil. Deze hoogteverschillen zijn maatgevend voor het ontwerp.

Vanwege de aansluiting onder vrijverval van woningen en een vorstvrije ligging is voor de aanleg van ondergrondse afval- en hemelwaterleidingen een minimale gronddekking nodig. In de praktijk komt de minimale gronddekking bij beginstrengen op circa 100 tot 120 cm.

De drooglegging heeft een directe relatie met de hoeveelheid water die de bodem tijdelijk kan bergen. Dit is vooral van belang voor de waterbalans van het totale plangebied en de snelheid waarmee dit grondwater naar oppervlaktewater afstroomt. Bij een lage drooglegging is het gebied door een snellere verzadiging van de bodem gevoeliger voor grondwateroverlast.

Werk in zettingsgevoelige gebieden bij voorkeur met kleine leidingdiameters, lichte materialen en een goede spreiding van lozingspunten. Onderheien van leidingen levert vooral bij zetting een extra ongunstige belasting op, bijvoorbeeld door de vorming van kattenruggen in de weg.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel