De plaats van de overstorten moet kwalitatief en kwantitatief passen in de plannen van de water-beheerder. Hierbij moet u rekening houden met de functietoekenning aan het oppervlaktewater. De overstortlocatie ligt bij voorkeur:
  • niet in de directe nabijheid van een rioolgemaal, vanuit de gewenste scheiding van vuil en schoon;
  • niet aan een beginriool met beperkte doorstroming tijdens dwa, vanwege risico op vervuiling door ophopend rioolslib;
  • aan een speciaal hooggelegen riool onder tegenschot, zonder dwa en dat vaker wordt gereinigd;
  • op een plaats in het stedelijke watersysteem, waar vanuit waterbeheer de minste bezwaren bestaan tegen de overstort; dit kan een punt benedenstrooms van het stedelijke gebied zijn;
  • niet op stilstaand water;
  • op water met voldoende drooglegging voor het beschikbare verval in de riolering;
  • op een plaats met ruimte voor eventuele randvoorzieningen;
  • op een plaats waar meten mogelijk is.
Hoewel vanuit hydraulisch opzicht extra overstorten meer zekerheid bieden, moet u met het oog op onderhoud, inspectie en plaatsing van randvoorzieningen het aantal overstorten zo veel mogelijk beperken. Het maatgevende overstortingsdebiet en de gewenste dikte van de overstortende straal (meestal 0,20 à 0,30 m) bepalen de drempelbreedte. Dit is de breedte waarover het systeem overstort.
 
In Overzicht maatstaven en ontwerpgrondslagen vindt u een berekening van de debieten als functie van de overstortende straaldikte bij een drempelbreedte van 1 m.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel