De standaardmeetopzet omvat de volgende onderdelen:

  • debietmeting;
  • monstername;
  • dataopslag en communicatie.

Debietmeting

De standaardmeetopzet bevat een debietmeting. Deze meting heeft de volgende doelen:

  1. (Hoofddoel) Het vaststellen van het moment waarop de bui (ofwel de feitelijke lozing) begint en afloopt. Deze meting dient om te bepalen wanneer de monsternamekast begint en eindigt met tijdproportioneel bemonsteren (zie ook Realisatiefase).
  2. Het controleren van het hydraulisch functioneren van het onderzochte stelsel bij de uitlaat of overstort. Zo duidt een positief debiet tijdens droog weer in een hemelwaterriool mogelijk op foutaansluitingen en/of drainage, een negatief debiet tijdens droog weer duidt op inloop van oppervlaktewater. Deze informatie is nodig om te toetsen of een bemonsterde ‘bui’ of lozingsgebeurtenis wel een bui is.
  3. (Aanvullend doel) Het kunnen vertalen van de buigemiddelde concentratie naar een indicatieve jaargemiddelde concentratie op basis van het totale lozingsvolume.
Figuur A Toelaatbare meetnauwkeurigheid debietmeting in standaardmeetopzet, het minimale debiet is het debiet waarop de monstername startVergroot afbeelding

De doelen van de debietmeting vereisen een redelijke, maar geen zeer hoge meetnauwkeurigheid. De te behalen nauwkeurigheid is hier bepaald als een afwijking van ten hoogste 10% van het maximaal te verwachten debiet en een afwijking van ten hoogste 30% van het debiet waarop de monstername moet starten (zie figuur A).

Een debietmeter in een geheel gevulde buis kan voldoen aan deze eisen. Debietmeters in gedeeltelijk gevulde buizen zijn minder nauwkeurig. Bij overstorten en randvoorzieningen kunt u het debiet ook bepalen met een niveaumeting bij een overstortmuur of overlaatconstructie.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel