De afvoercapaciteit is een maatstaf voor het snel genoeg kunnen afvoeren van water zonder ongewenste drukopbouw. Bij hemelwaterstelsels kan drukopbouw tot water op straat leiden. Bij grondwaterstelsels zal het gebied te nat blijven. Bij afvalwaterstelsels kan de drukopbouw in het ergste geval leiden tot overstroming van lozingstoestellen, zoals toiletten.

Om de geschetste (grens)toestanden te voorkomen, moet u overstorten of nooduitlaten aanbrengen. Ook een grotere berging kan bij een gemaalstoring het afvalwater opvangen. Nooduitlaten in een afvalwaterstelsel (dwa-riolering) zijn meestal niet toegestaan. Overstorten in een hemelwaterstelsel moet u afstemmen op de capaciteit van het ontvangende oppervlaktewater. Hoe gunstiger de verdeling van overstorten, hoe kleiner de gemiddelde diameter van de aangesloten stelsels kan zijn. Want met een groter aantal overstorten en een gelijkmatige verdeling is de afstand van elk punt in de wijk tot een overstort het kortst. Uiteraard kunnen waterkwaliteitsdoelstellingen tot een andere afweging leiden.

Bij grondwaterstelsels zullen de praktische diameters voor drainage doorgaans voldoende zijn voor de afvoer van grondwater. Verzamelleidingen in het stelsel vragen extra aandacht voor de dimensionering. De exacte beoordeling van de afvoercapaciteit van een hemel- en grondwaterstelsel hangt samen met een hydraulische controleberekening. 

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel