Functie
Een waterdoorlatende verharding bestaat uit poreus (bestratings)materiaal dat regenwater doorlaat. De waterpasserende verharding heeft vergrote voegen (de stenen hebben nokken aan de zijkant) waardoor het water passeert. Waterdoorlatende verhardingen die al langer bestaan, zijn de zogenaamde halfverhardingen, zoals grasbetonkeien en grasplaten. Recenter kwamen er ook constructies die een waterbergingslaag onder de toplaag hebben. Het regenwater zakt dan door de poriën in de steen naar de ondergelegen vlijlaag, waarna het in de bergingslaag terechtkomt. Het water infiltreert vervolgens in de bodem, of een drain voert het water af naar het oppervlaktewater. Tussen de verharding en de vlijlaag en tussen de bergingslaag en het zandbed kan een geotextiel zitten. Dit textiel moet voorkomen dat de verschillende lagen zich met elkaar vermengen en dat kleine (verontreinigde) deeltjes zich naar beneden verplaatsen. De bergingslaag kan, afhankelijk van de opbouw en dikte, een aanzienlijke hoeveelheid regenwater bufferen. Een overloopvoorziening is dan niet altijd nodig.
 
Waterpasserende stenen hebben dezelfde opbouw van de constructie als de waterdoorlatende verharding heeft. De waterpasserende stenen hebben alleen een brede voeg waardoor het water de bergingslaag bereikt. De steen zelf is niet of veel minder doorlatend.
 

Figuur A Dwarsdoorsnede van waterdoorlatende en waterpasserende verharding

Onderzoek en beheermaatregelen
In tabel A staat een overzicht van de onderzoeksactiviteiten en beheermaatregelen voor de waterdoorlatende en -passerende verharding. De tabel onderscheidt vier categorieën maatregelen, op grond van de wijze van aansturing.
 

Tabel A Samenhang van de beheeractiviteiten van de waterdoorlatende en -passerende verharding
 
Toetsingscriteria
De criteria voor het ontwerp van de voorziening vormen ook de basis voor de toetsing van de voorziening. Als de voorziening erg van deze ontwerpcriteria afwijkt, dan is (mogelijk) ingrijpen gewenst. In de praktijk kunt u soms snel vaststellen of er iets mis is met het functioneren van een waterdoorlatende of -passerende verhardingaan de hand van een aantal toetsingsindicatoren. Als deze indicatoren de ingrijpmaatstaf overschrijden, is ingrijpen gewenst (zie tabel B).
 
  Indicator Ingrijpmaatstaf
1 Water op straat > 0,5 - 1 uur na het einde van een bui
2 Spoortvorming/verzakking > 15 - 25 mm.
3 Meldingen van bewoners/wijkbeheerder Serieuze melding/opmerking
Tabel B Toetsingsindicatoren van de waterdoorlatende en -passerende verharding
 
Als een voorziening de ingrijpmaatstaf overschrijdt, kunt u op basis van de indicatoren in tabel B onderzoeken wat de oorzaak daarvan is. Dit onderzoek richt zich op de afwijkingen ten opzichte van de ontwerpcriteria. In tabel C staat aan welke toetsingscriteria de waterdoorlatende en –passerende verharding moet voldoen. U gebruikt de criteria in deze tabel ook om na te gaan of het reguliere onderhoud bijgesteld moet worden.
 
  Omschrijving Ingrijpmaatstaf t.o.v. ontwerpwaarde Ingrijpmaatstaf-indicatie
1 Infiltratiepercentage < 70 - 90% 50%
2 Infiltratiecapaciteit < 60% < 0,5 m./dag
3 Water op straat > 100% > 0,5 - 1 uur na het einde van een bui
4 Vervuiling bodem > Streef-/toetsingswaarde > Streef-/toetsingswaarde
5 Vervuiling grondwater > Streef-/toetsingswaarde > Streef-/toetsingswaarde
Tabel C Toetsingscriteria van de waterdoorlatende en -passerende verharding

Tabel C relateert de ingrijpmaatstaf aan een (procentuele) afwijking van de ontwerpwaarde. Als de ontwerpwaarde niet bekend is, staat er in de tabel waar mogelijk ook een absolute waarde als ingrijpmaatstaf. In sommige gevallen is die absolute waarde niet mogelijk, omdat deze sterk afhankelijk is van het ontwerp.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel