In deze laatste stap van deel 2 legt u de gezamenlijke ambitie (A) naast de systeembeschrijving (B) en de systeemanalyse (C). Uit deze vergelijking volgt of er daadwerkelijk een probleem is, of niet. Leg de vergelijking vast in een document dat aangeeft of er knelpunten zijn, wat die eventuele knelpunten zijn en of er maatregelen nodig zijn. Leg daarbij de argumentatie vast! Uit het vergelijken kan blijken dat er geen maatregelen nodig of mogelijk zijn. Dan rondt u de beoordeling af met het vastleggen van de argumentatie voor deze beslissing. Zijn er wel maatregelen nodig, ga dan verder met deel 3.

Hulpmiddelen en tools

Bij de systeemanalyse moet u aandacht geven aan korte- en langetermijneffecten. Het soort problemen bepaalt waar de focus ligt. Bijvoorbeeld: als vissterfte het probleem is zal de focus op de kortetermijneffecten liggen. Maar ook dan is het raadzaam na te gaan of op de lange termijn problemen zullen ontstaan. Er zijn meerdere hulpmiddelen en tools beschikbaar die u bij de systeemanalyse kunt gebrui- ken. De lijst is niet uitputtend. Hieronder volgt een toelichting op de genoemde hulpmiddelen. Wederom geldt: gebruik uw kennis en ervaring.

Meten en monitoren

Bij de systeembeschrijving en -analyse komt ook naar voren welke gegevenslacunes er zijn en welke vragen onbeantwoord blijven. Met meten en monitoren vult u gegevenslacunes op en krijgt u inzicht in het daadwerkelijke systeemgedrag. Er is geen blauwdruk die bepaalt welke metingen u moet verrichten; het is een kwestie van maatwerk, afhankelijk van de locatie en de kennis die al aanwezig is over de locatie. Meten en monitoren zijn extra belangrijk als u maatregelen moet nemen. Ten eerste is het minder risicovol om investeringen te baseren op daadwerkelijk systeemgedrag (in plaats van alleen modellen). Ten tweede kunnen de metingen een rol blijven vervullen bij het monitoren van het effect van maatregelen (na uitvoering).

Volg- en Stuursysteem (VSS)

Het Volg- en Stuursysteem is een project binnen het kennisprogramma Watermozaïek van STO- WA. Het VSS maakt het mogelijk alle relevante ontwikkelingen in het ecologisch functioneren van watersystemen te volgen door het ontsluiten, bijeenbrengen en in samenhang presenteren van uiteenlopende typen watergegevens. Denk aan waterkwaliteit, hydrologie en het weer, maar ook grondsoorten en gemelde klachten. Het VSS combineert de ingebrachte gegevens met moderne rekenregels en (al bestaande) modellen tot negen heldere voorwaarden voor een goede ecologische waterkwaliteit. Dit zijn de zogenoemde ecologische sleutelfactoren (ESF’s), zoals externe en interne nutriëntenbelasting en doorzicht.

Sleutelfactoren / stoplichtenmethode

Elke ecologische sleutelfactor fungeert als een stoplicht. Pas als dat op groen staat, is de gewenste ecologische kwaliteit te bereiken. Bovendien zit er een volgorde in de ESF’s. Het heeft pas zin maatregelen te nemen die zorgen voor een goed leefgebied (de ESF Habitatgeschiktheid) als het stoplicht voor bijvoorbeeld nutriëntenbelasting op groen staat. En het visvriendelijk maken van een opvoerwerk loont pas als zich achter het gemaal een geschikt leefgebied bevindt. Met het VSS kunt u relaties leggen tussen maatregelen die u neemt en de effecten daarvan, waardoor u zo nodig kunt bijsturen. In de stoplichtenmethodiek staat elk stoplicht voor één van de voorwaarden voor het ecologisch functioneren van een watersysteem. Verondersteld is dat ondergedoken waterplanten bepalend zijn voor de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit. Verder is uitgegaan van een hiërarchie in de voorwaarden voor plantengroei. Ten slotte zijn de stoplichten onderverdeeld in logische clusters. Kenmerkend voor deze benadering is dat u de morfologie, hydrologie, chemie en ecologie van een specifiek watersysteem in samenhang beschouwt op basis van een generiek gebiedsbreed toepasbaar diagnostisch kader. De sleutelfactoren staan in het VSS.

Water- en stoffenbalans

Op basis van de systeembeschrijving kunt u een water- en stoffenbalans opstellen. Dit geeft inzicht in verblijftijd en de rol van de overstort in het systeem, voor zowel het aandeel van water als het aandeel van verschillende stoffen.

Nutriëntenbelasting

Het rapport ‘Van helder naar troebel... en weer terug’ (STOWA; 2008-04) beschrijft de werking van de fosfaatbelasting en de doorwerking in de ecologische toestand van het water. Dit rapport geeft waterbeheerders handvatten voor een goe- de ecologische analyse en diagnose van meren en plassen. Hierbij spelen twee aspecten een belangrijke rol: de actuele fosfaatbelasting (grootte en herkomst) en de draagkracht van het watersysteem (hoeveel fosfaat kan het aan?). Als dit bekend is, zijn goed onderbouwde keuzes te maken bij het nemen van (fosfaat)maatregelen om de KRW-doelen te halen.

Knelpuntenbeoordelingsmethode Water- kwaliteitsspoor

Met dit instrument (STOWA; 2012-17) kunt u op basis van kenmerken van het watersysteem en kenmerken van de overstorten die daarin lozen, berekeningen maken voor de zuurstofhuishouding en de aanwas van slib. Afhankelijk van de doelstelling die voor het watersysteem geldt, levert dit een score op waarmee duidelijk wordt of sprake is van een knelpunt. De berekening is uit te voeren voor een bestaande situatie of voor mo- gelijke toekomstige situaties, bijvoorbeeld na uitvoering van maatregelen.

Tewor

Het toetsingsprogramma Tewor (= Toetsings- model voor de Effecten op de Waterkwaliteit van Overstortingen uit Rioolstelsels) is een hulpmiddel om de toelaatbaarheid van lozingen uit gemengde rioolstelsels te beoordelen. Tewor berekent de effecten van lozingen in het oppervlaktewater én toetst deze aan een referentiekader. Het programma geeft een objectieve voorspelling van de kortetermijneffecten op de waterkwaliteit van lozingen uit een rioolstelsel. Tewor wordt vaak gebruikt in combinatie met een oppervlaktewatermodel in SOBEK of DUFLOW.

5S/6S-model

Het 5S-model is een ecologisch model voor stromende wateren. De 5 S-en staan voor systeem, stroming, structuren, stoffen en soorten. De systeemvoorwaarden (zoals klimaat en geologie) en de stuurbare factoren stroming, structuren en stoffen beïnvloeden het voorkomen van soorten (die ook sturend kunnen zijn). In het 6S-model is hieraan schonen (onderhoud) toegevoegd, dat ook sturend is voor de ontwikkeling van de ecologie. Het model geeft de samenhang aan tussen de 6 S-en.
 
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel