Bemalen en kans op schade

Bij het aanleggen van kabels, leidingen of riolering en het bouwen van kelders en parkeergarages wordt grondwater onttrokken (bemalingen). Deze onttrekkingen zijn geregeld in de keur, de algemene regels en de beleidsregels van het waterschap. Vaak is voor een grondwateronttrekking een watervergunning van het waterschap nodig. Voor kleinere bronneringen/bemalingen gelden meestal algemene regels, waarbij een melding aan het waterschap volstaat. Het waterschap kan aan alle bronbemalingen (vergunningplichtig en niet-vergunningplichtig) voorschriften verbinden om schade aan gebouwen te voorkomen.

Vergunninghouder moet schade voorkomen of vergoeden

Als door een vergunningplichtige grondwateronttrekking bij een woning zettingschade ontstaat, kan de woningeigenaar (op grond van artikel 7.18 lid 1 Waterwet) vorderen dat de vergunninghouder de schade ondervangt voorzover dit redelijkerwijs kan worden gevraagd. Als de vergunninghouder de schade niet ondervangt, moet hij de gevorderde schade vergoeden. Vaak biedt artikel 7.18 Waterwet voldoende bescherming om schade te vergoeden die is veroorzaakt door een onttrekking.1 Hieruit volgt dat het bevoegd gezag geen verplichting heeft om in het kader van de vergunningprocedure een schadevergoedingsregeling te treffen. Zo oordeelde de Raad van State in 2013: "De artikelen 7.18, 7.19 en 7.20 van de Waterwet bieden een specifieke regeling voor de vergoeding van schade aan een onroerende zaak ten gevolge van het onttrekken van grondwater. Zo kan degene die als gevolg van het onttrekken van grondwater schade ondervindt aan een onroerende zaak ingevolge artikel 7.18 van vergunninghouder vorderen dat deze schade wordt ondervangen of vergoed dan wel dat vergunninghouder de onroerende zaak in eigendom overneemt. Reeds hierom ontbreekt voor het college een verplichting om in het kader van de vergunningprocedure een schadevergoedingsregeling te treffen."2

Aannemer aansprakelijk: onrechtmatige daad (privaatrechtelijk spoor)

Soms is voor schade die is ontstaan door een bronbemaling een vergoeding te vorderen op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Bijvoorbeeld als een gedraging in strijd is met een ongeschreven maatschappelijke regel. Het Hof Den Haag kwam in de zaak van 16 april 2013 tot die conclusie.3 Toen duidelijk werd dat open bemaling niet voldoende was om droog te kunnen werken, had de aannemer nader onderzoek moeten doen naar de fundering van de naastgelegen (oude) panden, voordat hij overging tot bronbemaling. Daarmee heeft de aannemer niet de zorgvuldigheid in acht genomen die in het maatschappelijke verkeer van hem kon worden verwacht. Bovendien werd een causaal verband aangetoond tussen de gedraging van de aannemer en de geleden schade aan de fundering van de panden. De aannemer was daarom aansprakelijk voor de veroorzaakte schade.

Zorgvuldigheid bij bouwwerkzaamheden

Bij bouwwerkzaamheden speelt ook de mate van zorgvuldigheid bij de uitvoering een belangrijke rol. Zo overwoog de rechtbank in 20114 dat van degene die bouwwerkzaamheden gaat verrichten de nodige zorgvuldigheid mag worden verwacht om schade aan de eigendommen van derden te voorkomen.


Zie: ABRvS 10 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL6999, AB 2010/103, r.o. 2.6; ABRvS 11 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH5538, AB 2009/146, r.o.2.5.3; ABRvS 11 juli 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF9827, r.o. 2.7.
2 ABRvS 29 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1412, Milieurecht Totaal 2013/2607, r.o. 3.2.
3 Gerechtshof Den Haag 16 april 2013, ECLI:NL:GHDH:2013:BZ9954, r.o. 5.2.
4 Rb. Arnhem 13 juni 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BR4842, r.o. 4.13. De rechtbank verwees naar het arrest van de Hoge Raad van 9 maart 1973, NJ 1973, 464 en Hoge Raad 21 april 2000, NJ 2000, 564.

Heeft u suggesties? Laat het ons weten!

Stuur uw suggestie.
Vorige artikel Volgende artikel