Stedelijk afvalwaterzorgplicht gemeente

Gemeenten hebben op grond van artikel 10.33, lid 1 Wet milieubeheer (Wm) een zorgplicht voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater.1 Dit is een harde verplichting, elke gemeente moet er dus voor zorgen dat zij het stedelijke afvalwater van alle percelen binnen haar grondgebied inzamelt en transporteert. Artikel 10.33, lid 2 Wm geeft mogelijkheden om de zorgplicht op verschillende manieren in te vullen. In plaats van een openbaar vuilwaterriool en een inrichting (als bedoeld in art. 3.4 Waterwet) kan een gemeente afzonderlijke systemen of andere passende voorzieningen gebruiken, zoals systemen voor de individuele behandeling van afvalwater (IBA’s). Voorwaarde is wel dat zij met die systemen eenzelfde graad van milieubescherming bereikt. Dat moet blijken uit het gemeentelijk rioleringsplan (GRP).

De gemeentelijke zorgplicht omvat twee belangrijke elementen: de aanleg van riolering en een adequaat beheer van deze voorzieningen.2 Bovendien richt de zorgplicht zich niet alleen op het gemeentelijke rioolstelsel, maar ook op het voorkomen van bodem-, grondwater- en oppervlaktewaterverontreiniging en wijziging van de grondwaterstand.3 Bij het uitvoeren van de zorgplicht vormen deze bodem- en wateraspecten belangrijke aandachtspunten.

Raakvlakken zorgplicht waterschap en samenwerking

Op deze gemeentelijke zorgplicht sluit de zorgplicht van de waterschappen aan om het stedelijk afvalwater te zuiveren. Het waterschap is de publieke beheerder van zuiveringsinstallaties (rwzi’s) voor stedelijk afvalwater, net zoals de gemeente op grond van de Wm de beheerder van de riolering is. Dit staat in art. 3.4 Waterwet (Wtw) en in art. 1, lid 2 Waterschapswet, dat de taken van het waterschap regelt. Waterschappen beheren alle bijna vierhonderd rwzi’s in ons land. Maar de praktijk laat steeds meer voorbeelden zien waarbij waterschappen en gemeenten op het grensvlak van het zuiverings- en rioleringsbeheer onderling samenwerken. Artikel 3.8 Wtw onderstreept het belang van deze samenwerking. Dit artikel verplicht gemeenten en waterschappen de onderlinge taken en bevoegdheden rond het waterbeheer af te stemmen, in het bijzonder waar het de inzameling, het transport en de zuivering van afvalwater betreft. (Zie ook de pagina Wettelijke zorgplichten).

Eigendom en beheer van riolering

De wettelijke afvalwaterzorgplicht betekent niet dat de gemeente de riolering of een andere voorziening altijd zelf moet beheren of in eigendom moet hebben. Het gaat er primair om dat zij voorziet in inzameling en transport van afvalwater. Als een riolering of IBA in andere (particuliere) handen is of als een derde partij het afvalwater feitelijk inzamelt en transporteert, doet dat in beginsel niets af aan de gemeentelijke zorgplicht. De gemeente is en blijft eindverantwoordelijk voor de zorgplicht. In de praktijk komen dan ook verschillende varianten van eigendom en beheer voor. Zo besteden steeds meer gemeenten het rioleringsbeheer (deels) uit. Ook zijn er situaties denkbaar waarbij de gemeente niet bij het rioleren betrokken is. Bijvoorbeeld als enkele bedrijven of particuliere huishoudens besluiten het afvalwater gezamenlijk te zuiveren en daarbij ook het stelsel voor inzameling van het afvalwater aanleggen, in eigendom hebben en beheren.
 
De riolering of andere voorziening kan al dan niet openbaar zijn. Het openbare riool omvat in de regel het gemeentelijke rioolstelsel, rioolgemalen, persleidingen en andere openbare werken en installaties die verband houden met de uitvoering van de gemeentelijke zorgtaak. Dus ook straatkolken en inspectieputten. Voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater die niet van de gemeente zijn, horen niet bij het openbare riool. Maar ook dit doet niets af aan de gemeentelijke zorgplicht. Zoals gezegd, de gemeente is en blijft eindverantwoordelijk voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, zoals verwoord in art. 10.33, lid 1 Wm.

Inzameling

Inzameling houdt in dat de gemeente het mogelijk maakt het stedelijke afvalwater van percelen te ontvangen door middel van een openbaar vuilwaterriool (of andere passende systemen). De gemeente moet ervoor zorgen dat aansluiting op de riolering mogelijk is. Onder percelen waarvan afvalwater vrijkomt, vallen bijvoorbeeld woningen, kantoren, industrieterreinen en woonboten (zie het kader hieronder).

Moet een woonboot aansluiten op de riolering?

Een gemeente kan een woonboot juridisch niet dwingen aan te sluiten op het openbare riool. Alleen al omdat de bouwregelgeving geen aansluitplicht meer kent. Of een woonboot een bouwwerk in de zin van de Woningwet is en of de bouwregels dus wel op woonboten van toepassing zijn, is hier daarom niet meer van belang. Op grond van het Besluit lozing afvalwater huishoudens (Blah) mogen woonboten met een vaste ligplaats geen huishoudelijk afvalwater lozen in het oppervlaktewater, als zij zich binnen 40 meter of een nader bepaalde afstand van de gemeentelijke riolering bevinden. Feitelijk zal ook vaak worden aangesloten. Op een afstand van 40 meter of minder is behalve aansluiting op de riolering ook aansluiting op een zuiveringsvoorziening mogelijk, zoals een IBA.


Niet elke afvalwaterleiding valt onder de gemeentelijke zorgplicht. De zorgplicht beperkt zich tot "voorzieningen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater". In de praktijk wordt hier meestal de term riolering gebruikt en juridisch kan dat de nodige misverstanden opleveren (zie het kader hieronder).

Wat behoort tot de (openbare) riolering?

Er is veel discussie geweest over de vraag of rioolstelsels als een netwerk te beschouwen zijn in de zin van artikel 5:20, lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW). Door rechtelijke uitspraken viel het eigendom van de buis tot 1 februari 2007 samen met het eigendom van de grond. De huiseigenaar was daardoor eigenaar van het deel in zijn grond en de gemeente van het deel in haar grond. Door een aanpassing van het Burgerlijk Wetboek op die datum is deze 'verticale natrekking' voor onder meer de riolering vervallen. De "bevoegde aanlegger" is nu de eigenaar van de leidingen, onafhankelijk van wie de grondeigenaar is. De wetgever wilde voor eigendom en beheer van rioolnetten niets veranderen. De gemeente kan zelf regelen wie welk gedeelte van de gebouwaansluiting (het deel in de particuliere grond) moet beheren. Dat betekent dat de eigendomsverhoudingen niet afdoen aan wat de gemeente op het gebied van beheer heeft geregeld. De in de gemeente geldende verdeling van de eigendom tussen gebouweigenaar en gemeente blijft in stand. De gemeente mag dus zelf bepalen wat tot de (gemeentelijke) riolering behoort en waar de gebouwaansluiting begint. (Zie hiervoor ook de pagina Eigendom.)

Inzamelen vanaf het aansluitpunt

Onafhankelijk van de eigendomsverhoudingen is het begrip inzameling cruciaal voor de vraag wat wel en niet tot de riolering behoort. Zo vallen hemelwaterafvoeren (dakgoten en regenpijpen) en particuliere lozingspunten (gootstenen, wasbakken, wc’s en schrobputjes) niet onder het begrip riolering, omdat hier sprake is van verzamelen en niet van inzamelen. De conclusie is dat de riolering begint vanaf het aansluitpunt op het (openbare) riool. Vanaf dat punt is immers sprake van inzameling.4 De eigenaar of gebruiker van een perceel (zoals een bedrijf) moet er zelf voor zorgen dat zijn afvalwater naar dat aansluitpunt stroomt. In principe zijn drie grensafbakeningen mogelijk tussen het particuliere en openbare riooldeel:

  1. op 50 cm van de gevel van het gebouw (de grens tussen gebouw- en buitenriolering);
  2. op de perceelgrens of nabij de perceelgrens ter hoogte van het ontstoppingsstuk;
  3. tot aan de openbare riolering in de openbare weg.

Staat de voorgevel van het gebouw op of nabij de perceelgrens, dan vervalt het onderscheid voor de eerste twee categorieën voor dat gebouw. Volgens de wetgever staat de "bevoegde aanlegger" centraal. Maar voor de riolering levert dit niet altijd duidelijkheid op als een andere partij dan de gemeente deze heeft aangelegd. De rechter heeft al eens geconcludeerd dat de riolering onder een winkelcentrum, die was aangelegd door een projectontwikkelaar, toch tot de openbare riolering behoorde. De riolering onder het winkelcentrum was, door het ontbreken van aansluitpunten of ontstoppingsstukken nabij de perceelgrens, niet als particulier deelnet te kwalificeren. In dit geval was daarbij ook van belang dat de gemeente de begrenzing niet in een verordening had vastgelegd. Het is dus aan te raden om een verordening op te stellen als de gemeente zekerheid wil over de grenzen van het openbare riool.

Transport

Transport houdt in dat de gemeente het afvalwater door de riolering transporteert naar de rwzi of andere zuiveringtechnische werken, meestal het eindgemaal van het waterschap. Bij hemel- of grondwater kan transport ook leiden tot een lozing in oppervlaktewater of de bodem. Over het precieze overnamepunt tussen het gemeentelijke stelsel en het zuiveringtechnische werk van het waterschap maken gemeente en waterschap meestal afspraken in een zogenoemde taakovereenkomst. In het verleden was sprake van aansluitvergunningen, waarbij een waterschap eisen stelde aan de hoeveelheid en de kwaliteit van het afvalwater. De Waterwet – die vooral ook een samenwerkingswet is – ontmoedigt de aansluitvergunning als eenzijdig instrument. Het Bestuursakkoord Water heeft dit nog eens onderstreept. In een bestuurscultuur waar samenwerking leidraad is voor het handelen (art. 3.8 Wtw), past het niet om elkaar als overheden eenzijdig eisen op te leggen. Zo staat een vergunningplicht haaks op de wettelijke samenwerkingsbepaling.

Voorkeursvolgorde en lokale afweging

In artikel 10.29a Wm staat een voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater. Deze voorkeursvolgorde is uitgangspunt voor lozingen en milieuvergunningverlening. Voor de gemeente geeft de volgorde vooral een richting voor de invulling van de zorgplichten, waarbij zij moet kijken wat de meest doelmatige oplossing is (zie verder de pagina Uitleg voorkeursvolgorde).

________________________________________________________
1 Ter implementatie van de richtlijn stedelijk afvalwater, Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG L 135).
2 Toelichting bij de eerste Nota van Wijziging, Kamerstukken II, 1991-1992, 21 246, nr. 6, p. 30.
3 Zie: Kamerstukken II, 1991-1992, 21 246, nr. 6, p. 30.
4 TK 1993-1994, 23 603, nr.6, p. 5. Het aansluitpunt zal vrijwel altijd tot de gemeentelijke riolering behoren, tenzij de voorziening in particulier eigendom is.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel