Voor de aangewezen rijkswateren in de Waterwet en het Waterbesluit is de minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) de beheerder (in de praktijk Rijkswaterstaat (RWS)), voor de niet-rijkswateren (regionale wateren) de waterschappen. Beide waterbeheerders maken elke 6 jaar een waterbeheerplan waarin zij het beleid en met name ook de voorgenomen maatregelen vastleggen. 

Peilbeheer en vergunningverlening

In relatie tot grondwatervraagstukken zijn met name het oppervlaktewaterpeilbeheer (dat de grondwaterstand kan beïnvloeden) en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen van belang. Voor de meeste grondwateronttrekkingen is het waterschap bevoegd gezag. In de keuren van de waterschappen staat of een onttrekking vergunning- of meldingsplichtig is, bijvoorbeeld bij bronneringen en bouwputbemalingen. Houd hier rekening mee als bijvoorbeeld grondwateronttrekkingen nodig zijn bij de aanleg van nieuwe riolering.

Vergunningplichtige onttrekkingen

Als de onttrekking vergunningplichtig is, moet de aanvrager zelf aangeven hoe hij schade voor de omgeving gaat voorkomen. Via vergunningvoorschriften kan (moet) de waterbeheerder mitigerende maatregelen voorschrijven om voorzienbare schade door een onttrekking zoveel mogelijk te voorkomen (die schade kan ook gebouwen betreffen). Dat blijkt uit de Waterwet (art. 2.1, doelstellingen die mede zien op de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals verankerd in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een zorgvuldige belangenafweging (art. 3:4 Awb) vereist onder meer dat het bevoegd gezag in de besluitvormingsprocedure het schadeaspect meeneemt. Hier is dan ook een duidelijke relatie tussen art. 3:4 Awb en de schadevergoedingsregeling van art. 7.14 e.v. Waterwet.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.