In de praktijk blijkt het moeilijk om vóór de rioolreiniging de vervuilingssituatie objectief vast te leggen. De aard van de omstandigheden in het rioolstelsel is zó verschillend dat vaak nauwelijks is aan te geven waar zich slib bevindt, in welke samenstelling en in welke hoeveelheid. Bovendien is niet precies bekend welke processen (chemisch, biochemisch en transport) zich met en in het sediment in het rioolstelsel afspelen. De enige methode om vooraf enigszins betrouwbare informatie te verzamelen over de hoeveelheid slib, is het handmatig meten. Maar dit is zeer arbeidsintensief. Ook wordt dan alleen in de putten de slibdikte bepaald en is dus nog steeds geen informatie voorhanden over de slibdiktes in de rioolstrengen zelf.

Staffels van vulhoogte

De hoeveelheid en aard van het materiaal (licht slib versus materiaal met een relatief grote vastzittende zandfractie) hebben directe invloed op de keuze voor in te zetten materieel en het aantal reinigingsgangen. Om toch vooraf de te verwijderen slibhoeveelheden in te schatten, gebruiken gemeenten vaak indicatieve staffels van vulhoogte, bijvoorbeeld ingedeeld naar drie categorieën:
  1. Lichte vervuiling: slib bovenstrooms in stelsel, geringe sedimentatie met los materiaal (minder dan 10 - 15% van de buishoogte), slijmhuid op buiswand.
  2. Matige vervuiling: afzettingen van vet, binnendringende grond, sedimentatie met vast materiaal tot circa 10 - 15% van de buishoogte.
  3. Sterke vervuiling: bezonken afzettingen met vast materiaal (zand en slib) meer dan 10 - 15% van de buishoogte.

Nauwkeurigheid

Deze indicaties zijn enigszins te onderbouwen door vóór de reiniging inspecties in ongereinigde riolen uit te voeren. Bijvoorbeeld putfoto-inspecties of video-opnamen vanuit de put. Het gebruik van categorieën op basis van vulhoogte suggereert een bepaalde nauwkeurigheid die u niet moet overschatten. Sommige gemeenten hanteren in bestekken staffels met stapgroottes van circa 5%, wat niet realistisch is.

Meerwerk

Als u vooraf een vervuilingssituatie aangeeft, moet u met de aannemer afspreken dat hij afwijkingen die tot meerwerk leiden direct bij u meldt. U kunt dit dan meteen controleren en vaststellen. U moet dan wel een toezichthouder hebben die de rol van controleur kan vervullen. Een andere optie kan zijn om achteraf aan de hand van de stortbonnen de mate van vervuiling vast te stellen en dit als basis voor verrekening hanteren (zie ook Meer- en minderwerk bij rioolreiniging verrekenen).

Vervuilingsinformatie verstrekken taak van gemeente

Als vervuilingsinformatie niet of nauwelijks voorhanden is, kan de aannemer deze informatie krijgen door vooraf steekproefsgewijs putten te openen. Dit gebeurt kennelijk zelden, hoewel gemeenten aangeven dat "de aannemer op basis van verkenning van het werk deze informatie had kunnen verzamelen". Maar het is uitdrukkelijk de taak en de verantwoordelijkheid van de gemeente als opdrachtgever om voldoende informatie over de situatie te geven. Alleen dan ontstaan gelijke concurrentieverhoudingen en kunnen aannemers risico’s en aanpak op de juiste manier afprijzen. U kunt de resultaten van putfoto-inspecties als een soort 'beeldbestek' toevoegen aan de aanbestedingsdocumenten.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel