Voor een goed inzicht in de opbouw van het bodemmonster is een uitgebreide zeving van minimaal tien korrelfracties wenselijk. Ook de fracties kleiner dan 63 μm horen hierbij. Juist de fijne fractie is erg belangrijk bij verschillende aspecten van de bodem. Het advies is de volgende fracties te laten bepalen:

Tabel A Te bepalen fracties bij zevenVergroot afbeelding

De labmedewerker bepaalt de grove fractie van het grondmonster via droge zeving. Voor de deeltjes kleiner dan 63 μm is dit niet mogelijk, hiervoor moet hij nat zeven. Voor de deeltjes kleiner dan 16 μm is de korrelverdeling op verschillende manieren te bepalen, bijvoorbeeld met de areometertest, de sedigraaf of een pipet.

Van nature komen homogeen samengestelde bodems bijna niet voor, meestal bestaat een grond- monster uit meerdere fracties. Figuur A geeft de verschillende fracties van een willekeurig gekozen zandmonster cumulatief in een korrelverdelingsdiagram (zeefkromme) weer.

De uitwerking van deze methode, de formules en een rekenvoorbeeld vindt u in Formules en uitwerking.

Figuur A Voorbeeld korrelverdelingsanalyseVergroot afbeelding

Op basis van het korrelverdelingsdiagram zijn verschillende zaken te bepalen die interessant zijn voor het doorlatendheidsonderzoek, zoals:

  • De samenstelling van het grondmonster (% zeer grof zand, % matig grof zand, % matig fijn zand, etc.).
  • Zeer nauwkeurige fractiebepaling (lutum, silt en zand) en de daaraan gerelateerde bodemclassificatie volgens de NEN 5104 (zanddriekhoek).
  • De d-waarden: het percentage grond dat door de zeef is gegaan. Oftewel het massapercentage kleiner dan de betreffende waarde. Stel d90 = 1,18 mm, dan betekent dit dat 90% van de massa van het zandmengsel een korrelgrootte kleiner dan 1,18 mm heeft. 
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel