Een onrechtmatige daad is toerekenbaar aan de dader als de daad zijn schuld is (schuldaansprakelijkheid) of als de oorzaak ervan volgens de wet of algemeen geldende opvattingen voor zijn rekening komt (risicoaansprakelijkheid) (art. 6:162 BW). Dus ook als iemand goed beschouwd niet schuldig is, kan hij toch aansprakelijk zijn, omdat de gemaakte fout voor zijn risico komt. Er zijn verschillende vormen van risicoaansprakelijkheid:

  1. art. 6:170 BW         Werkgever – werknemer (ondergeschikte) 
  2. art. 6:171 BW         Opdrachtgever – niet-ondergeschikte
  3. art. 6:173 BW         Gebrekkige zaken
  4. art. 6:174 BW         Opstallen, wegen en leidingen 
  5. art. 6:185 BW         Producten (zoals een geleverde ondeugdelijke leiding)

Hieronder lichten we deze vormen kort toe.

Ad 1: Risicoaansprakelijkheid voor een ondergeschikte

Deze risicoaansprakelijkheid is vooral bij rioleringswerkzaamheden relevant. De gemeente is als werkgever risicoaansprakelijk voor fouten van een werknemer in dienst van de gemeente (ondergeschikte). Tenminste, als door haar opdracht de kans op de fout is vergroot en zij zeggenschap had over de gedragingen die tot de fout leidden. Dit betekent dat de gemeente ook aansprakelijk is als de ondergeschikte in strijd met een instructie handelde. Overigens moet dan ook de ondergeschikte aansprakelijk zijn (art. 6:170 BW).

Ad 2: Risicoaansprakelijkheid voor een niet-ondergeschikte

Overheidsinstanties vallen in beginsel buiten het bereik van art. 6:171 BW, alleen een overheidsbedrijf (bijvoorbeeld een nutsbedrijf) valt hieronder. Een werkgever is ook risicoaansprakelijk als een niet-ondergeschikte in zijn opdracht werkzaamheden uitvoert en daarbij een fout maakt. De niet-ondergeschikte is aansprakelijk voor de aan hem toerekenbare onrechtmatige gedraging, maar ook de werkgever is tegenover de derde aansprakelijk (art. 6:171 BW). Voor benadeelden mag het namelijk niet uitmaken of de schade nu wel of niet door een ondergeschikte is toegebracht. De risicoaansprakelijkheid is vooral bij het aanbesteden van werk van belang. De gemeente kan als opdrachtgever aansprakelijk zijn voor schade door handelingen die zij in het bestek heeft voorgeschreven, waartoe zij opdracht heeft gegeven of vanwege door haar onjuist verstrekte informatie.
 
Deze risicoaansprakelijkheid bestaat overigens alleen als het gaat om werkzaamheden die een opdrachtgever "ter uitoefening van diens bedrijf" door die opdrachtnemer laat uitvoeren.  Aansprakelijkheid is niet aan de orde als de benadeelde de dader en het bedrijf van diens opdrachtgever niet als een zekere eenheid kan beschouwen. De schade behoort dan niet tot de risicosfeer van de opdrachtgever. Een belangrijke beperking van dit artikel ligt in de woorden "werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf" (HR 21 december 2001, LJN: AD7395). Alleen het geval van degene die aan de bedrijfsuitoefening zelf van de opdrachtgever deelneemt, valt eronder.

Ad 3: Risicoaansprakelijkheid voor een gebrekkige zaak

Volgens de wet is iedereen (dus ook de gemeente) aansprakelijk voor schade die het gevolg is van (het gebruik van) een gebrekkige roerende zaak. Met gebrekkig wordt bedoeld dat het betreffende voorwerp niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en waarvan bekend is dat het een bijzonder gevaar voor personen of goederen kan opleveren. Een gebrekkige roerende zaak is op zichzelf geen probleem. Iedereen bezit wel spullen die oud of zelfs al stuk zijn en gevaarlijk kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan een hamer waarvan de kop al wat loszit of ander gereedschap dat bijvoorbeeld bij werkzaamheden wordt gebruikt. Dat kan een probleem worden als iemand anders hierdoor schade oploopt. Ook als u niet doorhad dat de hamerkop kon loskomen.

Deze vorm van risicoaansprakelijkheid is anders dan de schade die voortkomt uit het ontwerp of de productie van de gebrekkige zaak, waarvoor een productaansprakelijkheid geldt. In een dergelijke situatie bent u als bezitter van het gebrekkige product niet aansprakelijk, maar dan komt de producent in beeld (zie ad 5).

Ad 4: Risicoaansprakelijkheid voor opstallen (zoals riolering)

Bij rioleringswerkzaamheden is ook de risicoaansprakelijkheid voor opstallen belangrijk (artikel 6:174 BW). Als een opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan mag stellen, is in eerste instantie de bezitter van de opstal aansprakelijk als personen of zaken hierdoor schade ondervinden. Een opstal is "een gebouw of werk dat duurzaam met de grond is verenigd, rechtstreeks of door een verbinding met andere gebouwen of werken".

Leidingen

Ook leidingen vallen hieronder. Bij leidingen is de leidingbeheerder aansprakelijk, behalve als de leiding zich in een gebouw of werk bevindt en de toe- of afvoer voor dat gebouw of werk regelt. Dit betekent dat vochtoverlast in huizen door de reparatie van een defecte riolering voor rekening kan komen van de rioleringsbeheerder. Zo kan een gemeente voor deze schade aansprakelijk worden gesteld, ook als zij geen schuld heeft. In relatie tot schade als gevolg van grondwateroverlast door het vervangen van een lekke riolering, is door schadelijdende partijen wel geprobeerd de gemeente aansprakelijk te stellen voor ondeugdelijk onderhoud hiervan. Meer informatie hierover vindt u in het kennisbankonderdeel Grondwaterzorg in gebouwd gebied). De rechtspraak leert hier dat de rechter aansprakelijkheid voor schade door grondwateroverlast niet zomaar aanneemt. De staat van de woning bijvoorbeeld speelt ook een rol bij de beoordeling.

Wegen

Bij erfpacht is de bezitter van het erfpachtrecht aansprakelijk. Bij openbare wegen (waaronder het weglichaam) is het overheidsorgaan aansprakelijk dat verantwoordelijk is voor een goede staat van de weg. Bij de parlementaire behandeling van de wegbeheerdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW is benadrukt dat niet al te gemakkelijk mag worden aangenomen dat een weg gebrekkig is. Volgens de wetgever moet de weg verkeren in een staat van onderhoud die "voor een weg als waarom het gaat van het betreffende overheidslichaam kan worden geëist". Daarbij zijn ook de beperkte financiële middelen van de wegbeheerder van belang. Maar uiteraard mag dat geen excuus zijn om het onderhoudsniveau "beneden een aanvaardbaar peil" te laten dalen. Voor de eisen die men aan de riolering mag stellen, geldt overigens hetzelfde (zie ook het kader 'Vaststellen of opstal voldoet aan te stellen eisen' hieronder).

Vereisten voor aansprakelijkheid op grond van 6:174 BW

  • Gebrek: de opstal, weg of leiding moet een gebrek vertonen.
  • Gevaar: de toestand van de opstal, weg of leiding moet niet alleen gebrekkig zijn, het gevaar moet zich ook daadwerkelijk voordoen.
  • Schade: er moet sprake zijn van schade als gevolg van het gevaar dat door het gebrek ontstond.

Voor de aansprakelijkheid op grond van artikel 6:174 BW is het niet van belang of de gemeente als beheerder bekend is met de gebrekkige toestand van de opstal, weg of leiding en het gevaar dat dit gebrek kan opleveren. Dit is het belangrijkste onderscheid met de schuldaansprakelijkheid (6:162 BW).

Ontsnappingsmogelijkheid via tenzij-clausule

Artikel 6:174 BW bevat verder nog de zogenaamde tenzij-clausule, die in uitzonderlijke omstandigheden een ontsnappingsmogelijkheid biedt. Deze clausule is van toepassing als het gebrek en de schade het gevolg zijn van een plotseling van buiten komende oorzaak, waarbij het schadevoorval binnen een zeer korte tijd na het optreden van het gebrek plaatsvindt. Dan had de gemeente als weg- of leidingbeheerder redelijkerwijs geen maatregelen kunnen treffen om de schade te voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan schade door een een kapotte stoeptegel (iemand die erover struikelt en letsel oploopt) of een 'net' omgewaaide boom. Maar vaak is het lastig te bewijzen wanneer het gebrek en de schade ontstonden. Bovendien moet de (gemeente als) beheerder aantonen dat deze tijdspanne te kort was om maatregelen te treffen om de schade te voorkomen. Slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden is een beroep op deze tenzij-clausule succesvol.

Vaststellen of opstal voldoet aan te stellen eisen

Hoe is nu vast te stellen of een opstal voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen? Volgens vaste jurisprudentie heeft dit te maken met de vraag of de opstal deugdelijk is, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming én met het oog op het voorkomen van gevaar voor personen en zaken. 

Technische en financiële mogelijkheden

Bij de antwoorden spelen de stand van de wetenschap en techniek én de financiële kaders waarbinnen het overheidslichaam zijn beleidsdoelstellingen probeert te realiseren een rol. Ofwel, welke te treffen maatregelen zijn wetenschappelijk gezien überhaupt mogelijk en in hoeverre zijn die financieel redelijkerwijs realiseerbaar? Het is dus niet noodzakelijk om alle maatregelen te nemen die wetenschappelijk gezien mogelijk zijn om potentiële gevaren uit te bannen. Uitzondering hierop vormen de situaties die onder de 'tenzij-clausule' vallen. Zo moet de gemeente een omgewaaide boom zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, verwijderen opdat deze geen (verdere) schade meer kan toebrengen.

Beleidsvrijheid gemeente

Ook de beleidsvrijheid van de gemeente speelt hierbij een rol. Deze beleidsvrijheid moet zij wel op redelijke wijze benutten. Van een redelijk beleid is sprake als de gemeente bij de aanleg van het riool eerst heeft gekeken naar de stand van de techniek en op basis daarvan heeft bepaald welke maatregelen zij financieel gezien redelijkerwijs kon nemen, gelet op de aard en het risico van het gevaar. In zo’n situatie zal een rechter de rioolaanleg terughoudend moeten beoordelen. Dit blijft uiteraard nog steeds een open norm, omdat de wet geen eisen of normen voor rioleringen kent.

Redelijkerwijs te vergen maatregel

Een logische vervolgvraag is wat een redelijkerwijs te vergen maatregel is. Deze vraag is niet eenvoudig te beantwoorden, omdat dit per geval altijd afhankelijk is van de betreffende omstandigheden. Om bijvoorbeeld te kunnen bepalen of de riolering in de desbetreffende situatie aan de eisen voldoet, zijn onder meer de dimensionering, de staat van het onderhoud en de weersomstandigheden van belang. Verder zijn aan een riolering in een druk stedelijk gebied andere eisen te stellen dan aan de riolering in een rustig landelijk gebied. Als de gemeente een bestemmingsplan vaststelt, moet zij in de watertoets voor de rioolaanleg rekening houden met de bijzondere omstandigheden van de percelen waarop het bestemmingsplan ziet.

Verbindende werking van richtlijnen

Er is geen wet (ook de Wet milieubeheer niet) die concrete eisen of normen stelt aan rioleringen. Hierbij kan de rechter dus niet aanknopen als hij de aansprakelijkheidsvraag beoordeelt. Meestal zal hij aanhaken bij richtlijnen en leidraden, bijvoorbeeld die van Stichting RIONED (rioleringsbeheer) of het CROW (wegbeheer). Deze richtlijnen en leidraden hebben niet de status van een wet, maar er gaat wel een bepaalde bindende werking vanuit. Voordat deze kennisbank er was, zocht de rechter aansluiting bij de Leidraad riolering. In principe leidde de rechter hieruit af aan welke eisen een riool redelijkerwijs moet voldoen en op welke soorten gevaar een riool berekend moet zijn. Daarbij let hij ook op de omstandigheden, de stand van de techniek en de beschikbare financiële middelen.

Gemeente moet het afwijken van richtlijnen motiveren

Als rioolbeheerder kan de gemeente afwijken van (nationale) leidraden en richtlijnen of de eigen beleidsregels. Of dit toelaatbaar is, hangt af van de motivering. Als de gemeente goed motiveert waarom zij is afgeweken van de normen in de leidraden en richtlijnen, zal een rechter niet snel oordelen dat de riolering gebrekkig is in de zin van artikel 6:174 BW.

Ad 5: Risicoaansprakelijkheid vanwege productaansprakelijkheid

Een producent is aansprakelijk als zijn product een gebrek vertoont en het daardoor schade toebrengt. Een product kan bijvoorbeeld een rioolbuis of een ander onderdeel van een rioolsysteem of soortgelijke voorziening zijn. Hierbij gelden zes limitatieve uitzonderingen, waarbij een beroep op overmacht niet mogelijk is. Zo is de producent niet aansprakelijk als hij het product niet "in het verkeer heeft gebracht". Dit betekent dat hij het product niet aan de distributieketen heeft doorgegeven, wat meestal gebeurt door verkoop, levering, verhuur of leasing. De producent is ook niet aansprakelijk als aannemelijk is dat het gebrek dat de schade veroorzaakte niet bestond op het tijdstip waarop hij het product in het verkeer bracht of als dit gebrek later ontstond (art. 6:185 BW). Een product is in dit geval een roerende zaak, ook als het inmiddels onderdeel is van een roerende of onroerende zaak. Hierbij kunt u denken aan een rioolbuis die nog op de grond ligt om later aangelegd te worden. Maar ook aan deze zelfde ondeugdelijke rioolbuis die op een later moment wordt aangelegd en dan dus onderdeel uitmaakt van de gehele riolering). Een product is gebrekkig als het niet de veiligheid biedt die men mag verwachten.
 

Wat is een producent?

Een producent is de fabrikant van het eindproduct, de producent van een grondstof of de fabrikant van een onderdeel. Daarnaast is een producent iedereen die zich als producent presenteert door op het product zijn naam, merk of een ander onderscheidend teken aan te brengen. Ook iedereen die een product in de EG invoert om het beroeps- of bedrijfsmatig verder te verhandelen, is producent (art. 6:186 en 6:187 BW).

Schades waarvoor productaansprakelijkheid geldt

De soorten schade waarvoor de producent aansprakelijk is, staan in het Burgerlijk Wetboek. Productaansprakelijkheid bestaat uitsluitend voor:

  • Schade door dood of lichamelijk letsel.
  • Schade "door het product toegebracht aan een andere zaak die gewoonlijk voor ge- of verbruik in de privésfeer is bestemd en door de benadeelde ook hoofdzakelijk in de privésfeer is ge- of verbruikt". Dit betekent dat de productaansprakelijkheid niet bestaat voor schade in de bedrijfssfeer, zoals stagnatie- of vervangingsschade (art. 6:190 BW).

Volgens de EG-richtlijn over productaansprakelijkheid1 moet de benadeelde de schade, het gebrek en het oorzakelijk verband tussen gebrek en schade bewijzen (art. 4 EG-richtlijn en art. 6:188 BW). 

Praktijkvoorbeeld

In de praktijk kan schade het gevolg zijn van bijvoorbeeld een leidingbreuk door gebreken in de toegepaste leidingen of het hechtingsmateriaal. In dat geval kan de benadeelde particulier (op grond van art. 6:185 BW) de producent voor de schade aansprakelijk stellen. Oók als deze producent niets is te verwijten. De productaansprakelijkheid doet overigens niets af aan de mogelijke aansprakelijkheid van de rioleringsbeheerder of anderen.
 


1 Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de aansprakelijkheid voor produkten met gebreken (Pb EG L 210/29).

Heeft u suggesties? Laat het ons weten!

Stuur uw suggestie.
Vorige artikel Volgende artikel