Stadswaterkwaliteit: het probleem

De aanpak van stadswater moet breder. Beschouw de omgeving, de functies, de vormgeving én de kwaliteit van het water als één opgave. Gebruik de algemene normen met verstand en wijk waar nodig beargumenteerd af. Zo ontstaan de condities om open water in steden en dorpen voor alle betrokkenen schoon én mooi te maken.

Het probleem
In de ideale situatie passen grachten, singels en vijvers goed in de stedelijke omgeving. Zij zorgen voor berging en afvoer en het water heeft recreatieve, cultuurhistorische en natuurwaarden. Het heeft een ecologisch verantwoord planten- en dierenleven en voldoet aan chemische waterkwaliteitsnormen. Maar de realiteit is anders.


Figuur A Wat doet het water met mij? Wat wil ik met het water? 

Een onopgemerkt bestaan
Veel stadswateren leiden een onopgemerkt bestaan. Ze voegen weinig toe aan de omgeving, de doorstroming is beperkt en het water bevat vaak (te) veel voedingsstoffen. Hierdoor gaat één plantje overheersen, waardoor het water verandert in zogenaamde “groene soep”, waarin vuil en bagger zich ophopen. Bewoners, gebruikers en andere betrokkenen ervaren het stadswater al gauw als vies en lelijk, terwijl het de omgeving juist meerwaarde kan geven.

    
Figuur B Door teveel voedingsstoffen verandert water in een groene soep

Normen zeggen niet alles
Om het stadswater schoner te maken, richten we ons nog te vaak op de kwaliteit van het water zelf. Deze wordt bepaald door verschillende factoren, zoals de doorstroming van het water, de samenstelling van de waterbodem en allerlei vervuilingsbronnen. Aan de hand van parameters en kwaliteitsnormen controleren we het water in sloten, singels, grachten en vijvers op ecologische kwaliteit en hoeveelheid. Waar nodig nemen we verbetermaatregelen.

De beleving van stadswater
Een goed, maatschappelijk verantwoord stadswater is méér dan alleen een normatief ‘schoon’ water. Mensen waarderen stadswater vooral om wat zich rondom en op het water afspeelt.
Zij beleven water als deel van de om- geving, bij een wandeling, het eendjes voeren of tijdens een boottochtje. Voor hen is bijvoorbeeld belangrijk dat stadswater er helder uitziet, fris ruikt en recreatie- mogelijkheden biedt. Behalve de waterkwaliteit zelf zijn ook andere factoren belangrijk, zoals inpassing, aankleding en inrichting van het water, voorzieningen en waterdiepte.

Invloed van vervuilingsbronnen
Bij de aanpak van stadswater moeten we dus ook kijken naar de beleving, functie en omgeving van het water. Maar zeker ook naar de vervuilingsbronnen in die omgeving. Want uit onderzoek blijkt dat eendjes voeren, bladval en afspoelende hondenontlasting vaak meer belastend zijn voor stadswateren dan riooloverstorten en regenwaterriolen. Omgevingsfactoren spelen dus een grotere rol bij de vervuiling van stadswater dan tot nu toe gedacht (zie de grafieken).

Hoe komen meststoffen in stadswater?
Fosfaat is een meststof die té voedselrijk water veroorzaakt. In stadswater zorgen eendjes voeren en hondenpoep voor het grootste deel van de fosfaatbelasting. Bij een gemengd stelsel gemiddeld 73% en bij een gescheiden stelsel 65%. Ook bladval in het water is een bron van fosfaat. Riooloverstorten en regenwateruitlaten blijken minder grote vervuilingsbronnen dan vaak wordt aangenomen.
De fosfaatbijdrage vanuit een rioolstelsel met een overstort bedraagt minder dan 20%. Bij een gescheiden riolering stroomt het regenwater in het stadswater en is de fosfaatbijdrage 30%. Afhankelijk van de feitelijk aanwezige bronnen variëren de bijdragen uiteraard per situatie.


Figuur C Jaarlijkse belasting van een stadsvijver met fosfaat
Meer informatie vindt u in Waterkwaliteit (relevante emissies).
 

Kennisbank



U Bezocht Onlangs


GEEF UW SUGGESTIE