Een stadsvijver is een relatief klein, hydraulisch geïsoleerd oppervlaktewatersysteem in een woonwijk. De oevers kunnen deels zijn beschoeid en deels begroeid met riet. Dit type systeem staat ook model voor een kopsloot waarop een overstort of regenwateruitlaat loost.


Figuur A Voorbeelden stadsvijver

Zie ook hoofdstuk 4 in de PDF.

Kenmerken
De kenmerken van het oppervlaktewatersysteem zijn:

  • Afmeting 30 x 100 m2, met een maximale peilstijging van 30 cm.
  • Diepte (twee varianten): diepe vijver (1,5 m) of ondiepe vijver (0,5 m).
  • Oeverinrichting: beschoeiing 50%, riet 50%.
  • Veel bomen rondom stadsvijvers: schaduw door bomen: 50%.
  • Bladval op 50% van oppervlak. • Onderhoud/baggeren: beperkt (eens per 20 jaar).
  • Doorspoeling: hydraulisch geïsoleerd, geen doorspoeling maar wel afvoermogelijkheid via stuw.
  • Geen belasting met kwel, geen wegzijging.
  • Flinke eendenpopulatie (20 - 40 dieren) die intensief wordt gevoerd.
  • Gebruik van het oppervlaktewater: vissen, visuele verfraaiing van de wijk, kinderen met bootjes.
  • Grondsoort: gezien het beperkte onderhoud is de ondergrond niet van belang, maar sliblaag is altijd aanwezig.

De kenmerken van het aangesloten afvoerende oppervlak zijn:

  • Woonwijk met afvoerend oppervlak van 2 ha.
  • Stelseltype (twee uitersten):
    • 2 ha gescheiden, met alleen lozing via regenwateruitlaten;
    • 2 ha gemengd, met alleen lozing van overstort

Onderzoeksvraag 1: welke waterkwaliteitsproblemen worden ervaren?
Een stadsvijver is een kwetsbaar systeem. Hierin zijn veel waterkwaliteitsproblemen denkbaar: (achter elk probleem staat cursief welke parameter medebepalend is)

  1. Botulisme: warmte (ondiepte), stagnant water;
  2. Dode vissen: zuurstof, acute toxiciteit;
  3. Algen: N en P;
  4. Kroos: N en P;
  5. Visuele verontreiniging: zwerfvuil;
  6. Stank: organische stof, zwavel, lage vetzuren;
  7. Ecologische achteruitgang, biodiversiteit: organische vervuiling, N en P, toxiciteit (metalen) (zie EPT-index), ook afhankelijk van inrichting (bijvoorbeeld oevers), morfologie;
  8. Hygiënische aspecten: bacteriën (E-coli);
  9. Problemen met beleving (schoonheid, uiterlijk);
  10. Bodemkwaliteit (slib): PAK’s, zware metalen, PCB’s, bestrijdingsmiddelen.

Dit onderzoek naar stofstromen kijkt naar stoffen. Dit betekent dat een vertaalslag nodig is van waterkwaliteitsproblemen naar chemische waterkwaliteitsparameters die sturend zijn voor de kwaliteit in brede zin. Een aantal problemen heeft geen (directe) relatie met de chemische waterkwaliteit. Denk aan botulisme, visuele verontreiniging en de ecologische achteruitgang. Daar gaat het om effecten die de inrichting van het systeem veroorzaakt. Voor de andere problemen is er wel een directe of indirecte relatie met de chemische waterkwaliteit. Zo heeft vissterfte een directe oorzaak in de aanwezigheid van een toxische stof. Maar ook het indirecte effect van een hoge be­lasting met organische stof op de zuurstofhuishouding kan tot vissterfte leiden. 

Op basis van de genoemde problemen zijn de volgende chemische waterkwaliteitsparameters gekozen, die voor dit systeem zijn meegenomen in de verdere analyse:

  • Stikstof en fosfaat, in verband met de van eutrofiëring afgeleide effecten.
  • BZV en zuurstof, in verband met het directe effect op vissterfte, maar ook als mogelijke oorzaak van stank en de effecten op het functioneren van het ecosysteem.
  • E-coli als maat voor de hygiënische betrouwbaarheid.
  • Zware metalen en PAK’s als maat voor de accumulatie van verontreinigingen in de waterbodem.
  • Glyfosaat als bestrijdingsmiddel.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel