Gemeenten krijgen (als wegbeheerder) regelmatig te maken met weggebruikers die hen aansprakelijk stellen voor schade die is ontstaan door uit de weg losgekomen putdeksels. Dit gevaar kan zich bijvoorbeeld voordoen bij extreme regen. Als de riolering het extra water niet meteen kan verwerken, kunnen putdeksels door de hoge riooldruk omhoogkomen en wegdrijven. Ook zetten vandalen soms ('s nachts) putten en kolken open, met alle gevolgen van dien.

Risicoaansprakelijkheid voor gebrekkige opstal

Artikel 6:174 lid 1 BW stelt dat een wegbeheerder ervoor moet zorgen dat de opstallen die onder zijn beheer vallen, voldoen aan de in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs te stellen eisen. Volgens lid 2 is het artikel ook van toepassing op de beheerder van de openbare weg. Onder de openbare weg vallen ook het weglichaam en de weguitrusting (lid 6). Omdat een weg een opstal is, is sprake van een risicoaansprakelijkheid. Ook leidingen en rioleringen vormen een opstal. Putdeksels in het wegdek zijn onderdeel van de wegverharding. Een gebroken of ontbrekend putdeksel tast de eigenschappen van het wegdek aan en leidt tot een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW. Als daardoor schade bij derden ontstaat, is de wegbeheerder daarvoor risicoaansprakelijk. Bijvoorbeeld als een gebroken putdeksel tegen de onderkant van een auto aanslaat of een auto met een wiel in een open put rijdt. Meestal is de wegbeheerder ook de beheerder van de riolering die eronder ligt (de gemeente). Zo niet, dan is de wegbeheerder aansprakelijk, óók als de riolering het gebrek veroorzaakt.

Bij risicoaansprakelijkheid is verwijt aan beheerder niet noodzakelijk

Omdat het hier om een risicoaansprakelijkheid gaat, is enig verwijt aan de weg- en/of rioolbeheerder voor het ontstane gebrek niet vereist. Dit betekent dat de gemeente zich niet kan beroepen op onbekendheid met een gebrek, tijdig uitgevoerd onderhoud en inspecties, of acties van vandalen. Hiermee heeft de benadeelde dus bewijsvoordeel. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan de gemeente (als een gebrek plotseling ontstaat) de aansprakelijkheid afwenden op grond van de 'tenzij-clausule' (zie hieronder). 

Tenzij-clausule 

Aan het slot van artikel 6:174 lid 1 BW staat de zogenaamde tenzij-clausule. Deze clausule is van toepassing als het gebrek het gevolg is van een plotseling van buiten komende oorzaak én waarbij het schadevoorval binnen een zeer korte tijd plaatsvindt. Dan had de weg- of rioolbeheerder redelijkerwijs geen maatregelen kunnen treffen om de schade te voorkomen. Stel dat een groep vandalen een putdeksel uit het wegdek licht en dit in een sloot gooit. Vijf minuten laten rijdt een fietser in het ontstane gat en raakt gewond. Gezien het korte tijdsbestek kon de wegbeheerder redelijkerwijs geen maatregelen treffen om het ongeval te voorkomen. Oók niet als hij op dat moment wist dat het putdeksel ontbrak. Als het ongeval enkele uren na het vandalisme zou zijn gebeurd en de beheerder had geweten van het gevaar, dan had hij wél tijdig maatregelen kunnen treffen.

Bij een beroep op de tenzij-clausule moet de wegbeheerder de bewijzen aanvoeren. Hierdoor is zo'n beroep vaak niet succesvol. In het voorbeeld van de vandalen zou de wegbeheerder met getuigenverklaringen moeten bewijzen op welk moment de vandalen het putdeksel hebben losgehaald.

Voorbeeld: overdruk in riolering

Stel, een putdeksel vliegt eraf door overdruk en precies op dat moment beschadigt het deksel een voertuig. Dan slaagt een beroep op de tenzij-clausule alleen als de gemeente (als wegbeheerder) aantoont dat dit komt door een plotseling van buiten komende oorzaak. Dit kan lastig zijn omdat de gemeente ook het riool beheert. Is wel sprake van een van buiten komende oorzaak als het putdeksel door water vanuit een gemeentelijke riolering uit een gemeentelijk wegdek omhoogkomt? Daarnaast gaat de gemeente bij de dimensionering van een riool vaak uit van tijdelijke waterberging op straat bij extreme regenbuien. Hierdoor kunnen ook putdeksels loskomen. Bovendien vult een riool zich niet direct tot de maximale capaciteit, dit gaat enigszins geleidelijk. Of in dergelijke gevallen sprake is van een plotselinge oorzaak, is dus discutabel.
 
Bovendien is een situatie waarbij putdeksels loskomen door overdruk in de riolering hoogst uitzonderlijk. Bij een goed ontwerp zou hiervan alleen sprake kunnen zijn onder bijzondere omstandigheden. Zoals bij een hevige bui, een overstort die maximaal werkt, water op straat en grote druk vanuit het stelsel. Als zo’n omstandigheid zich meerdere keren per jaar voordoet, is een plotseling van buiten komende oorzaak moeilijk te verdedigen. Dan lijkt een niet adequaat ontwerp meer voor de hand te liggen.

Voorbeeld: omhoogkomend putdeksel na extreme regen

Op een dag dat er extreem veel regen is gevallen, rijdt een auto over een putdeksel en precies op dat moment schiet het putdeksel omhoog. Het linkerachterwiel raakt lek, waarna de auto in een slip raakt en tegen een andere auto tot stilstand komt. Gelukkig vallen er geen gewonden. De automobilist stelt de gemeente als wegbeheerder aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW. Reconstructie van de situatie leert dat het riool door de hevige regen vóór het ongeval helemaal vol was. Het putdeksel is waarschijnlijk losgekomen door een piek in de neerslag. Voor het feit dat het putdeksel omhoogkomt, is in beginsel de gemeente als wegbeheerder aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW. De put is immers onderdeel van de wegverharding en voor gebreken aan de weg geldt een risicoaansprakelijkheid. De gemeente kan alleen aan die aansprakelijkheid ontkomen met een succesvol beroep op de tenzij-clausule. Hiervoor moet zij aantonen dat de tijd tussen het moment dat het putdeksel loskwam en het moment dat de schade ontstond zó kort was dat zij redelijkerwijs geen maatregelen kon treffen om de schade te voorkomen. Omdat de automobilist verklaart dat het deksel omhoogkwam toen hij er net overheen reed, is het beroep op de tenzij-clausule succesvol en kan de gemeente de risicoaansprakelijkheid dus afwijzen.

Wanneer schuldaansprakelijkheid?

Van schuldaansprakelijkheid is sprake bij een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. In het geval van wegbeheer gaat het er dan om of de wegbeheerder een gevaarlijke of gebrekkige situatie te verwijten is. Dit is aan de orde als de schade niet ontstaat door een gebrek aan de weg zelf, maar door zaken of substanties die niet op de weg thuishoren. Bijvoorbeeld zand of modder afkomstig van voertuigen, verloren lading, sneeuw en ijzel. Bij schuldaansprakelijkheid moet aan alle vereisten voor een onrechtmatige daad worden voldaan (zie de pagina Onrechtmatige daad).


De informatie op deze pagina is ontleend aan de brochure Gemeentelijke aansprakelijkheid bij wateroverlast. Wetgeving, rechtspraak en praktijkvoorbeelden.

Heeft u suggesties? Laat het ons weten!

Stuur uw suggestie.
Vorige artikel Volgende artikel