Verbeterd gescheiden stelsels (vgs) staan steeds meer in de belangstelling van de partners in de afvalwaterketen. Zij zien vgs als goede mogelijkheid om de keten te optimaliseren en daarmee kosten te besparen. Dit rapport kan gemeenten en waterschappen ondersteunen in een optimale(re) omgang met de huidige vgs. Daarbij is de centrale vraag: bestaat er ruimte, en zo ja welke, om anders of beter om te gaan met de bestaande infrastructuur? Moeten beheerders de huidige vgs handhaven, ombouwen naar een traditioneel gescheiden stelsel of is er een middenweg? Het rapport richt zich uitdrukkelijk niet op de meer algemene vraag of afvoer van hemelwater via een rioolbuis optimaal is of dat andere oplossingen beter zijn.

Vgs in Nederland

Vgs zijn gescheiden stelsels die een deel van het water vanuit het hemelwaterstelsel richting rwzi kunnen afvoeren. (N.B. Normale gescheiden stelsels met alleen een randvoor­ziening bij de hemelwateruitlaten zijn géén vgs.) Vanaf de jaren 90 van de vorige eeuw kregen veel (nieuwbouw)gebieden in Nederland vgs. Het verbeterd gescheiden stelsel gold lange tijd als ‘voorkeursstelsel’ naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van de Nationale Werkgroep Riolering en Waterkwaliteit (NWRW) en de aanbevelingen van de Coördinatiecommissie Uitvoering Wet Verontreiniging Oppervlaktewater (CUWVO). Inmiddels bestaat circa 11% van de riolering in Nederland uit vgs, met een vervangingswaarde van ongeveer € 6 miljard.

Historische argumenten voor vgs

De brede opkomst van vgs is gebaseerd op drie argumenten:

  1. afstromend hemelwater is vies en mag niet zomaar in oppervlaktewater terechtkomen;
  2. foutaansluitingen en slordige lozingen vervuilen het opper­vlaktewater overmatig;
  3. de ecologische waterkwaliteit nabij lozingspunten van vgs is beter dan die nabij gs-lozingspunten.

Nieuwe inzichten

Recent onderzoek laat zien dat er in Nederland veel locaties zijn waar het afstromende hemelwater niet alleen beleidsmatig schoon is, maar ook in de praktijk schoon of in elk geval schoon genoeg is om direct in lokaal oppervlaktewater te lozen. Foutaansluitingen zorgen weliswaar voor fors meer emissie vanuit hemelwater­stelsels, maar of dit ook tot waterkwaliteitsproblemen leidt, is afhankelijk van de belastbaarheid van het oppervlaktewater. ‘Nieuwe stoffen’ kunnen in de toekomst (mede) bepalend worden in de omgang met foutaansluitingen. Ten slotte toont nader onderzoek dat de ecologische waterkwaliteit nabij lozingspunten vanuit vgs niet systematisch beter is dan nabij lozingspunten van een traditioneel gs.

Nadelen vgs

De veelgehoorde klacht dat vgs veel ‘dun’ water naar de rwzi afvoeren, is terecht. Een standaard vgs dat functioneert zoals bedoeld, voert op jaarbasis bijna 70% van de afstromende neerslag af richting rwzi. Dat komt neer op circa 3.300 m3 per jaar per hectare aangesloten verhard oppervlak. Door de berging en/of de pompovercapaciteit te verkleinen, is deze hemelwaterafvoer met enkele tientallen procenten te reduceren. Behalve hemelwater voeren veel vgs ook grondwater (infiltratie, aangesloten drainage, warmte-koudeopslaginstallaties) en/of inlopend oppervlaktewater af. Hierdoor loopt het jaarlijks afgevoerde volume snel op met tientallen of zelfs honderden procenten van de nettoneerslag. Naar schatting is landelijk de afvoer van rioolvreemd water vanuit vgs richting rwzi’s minstens even groot als de afvoer van hemelwater. Daarmee is de aanpak van rioolvreemd water een zinnige (eerste) maatregel om de afvoer vanuit vgs te verminderen. Ook de afvoer van hemelwater via het vuilwaterstelsel (door foutaansluitingen) kan in sommige gebieden een onverwacht grote bron zijn.

Optimalisatie vgs

De discussie rondom vgs spitst zich vaak toe op het spanningsveld tussen de afvoer van ‘dun’ water richting rwzi en de emissie vanuit hemelwaterstelsels in het oppervlaktewater. Ter ondersteuning van de discussie zijn deze argumenten verder uitgewerkt. Veel ‘dun’ water door de afvalwaterketen betekent dat de (hydraulische) capaciteit hiervoor beschikbaar moet zijn bij gemalen, persleidingen en rwzi’s. Het verwijderen van het ‘dunne’ water levert in potentie grote besparingen op bij ver- en nieuwbouw. Veel ‘dun’ water leidt ook tot verminderde zuiverings­rendementen en meer geloosde vuilvracht via het effluent. De toelaatbaarheid van (extra) emissie vanuit vgs in oppervlaktewater is met een watersysteemanalyse in te schatten. Hiervoor is een eenvoudige systematiek ontwikkeld.
 
Welbeschouwd heeft het ‘draaien aan de knop’ van een vgs meer consequenties: gemengde overstortvolumes, de regelmacht bij calamiteiten, de beschikbare waterberging in de stad en het energieverbruik in de keten kunnen allemaal veranderen. Deze overwegingen zijn aanvullend mee te nemen in de discussie over vgs.

Vgs 2.0

Een vgs 2.0 is een ‘geoptimaliseerd’ vgs dat schoon water lokaal kan lozen in het oppervlaktewater en vies water uit foutaansluitingen naar de rwzi kan sturen. Een vgs 2.0 heeft twee pompen in een hemelwatergemaal: één voor de afvoer richting rwzi en één voor de afvoer naar het oppervlaktewater. Als het aangevoerde water vies is, gaat de pomp richting rwzi aan en als het aangevoerde water schoon genoeg is, gaat de pomp naar het oppervlaktewater aan. Om te bepalen wanneer het water vies of schoon is, kunnen waterkwaliteitssensoren nodig zijn, maar een eenvoudige sturing op basis van niveau of debiet werkt vaak ook. Op basis van een stelseldiagnose en een watersysteemanalyse is de sturing te bepalen. Het concept is zowel op bestaande vgs als op bestaande gescheiden stelsels toe te passen.
 
Een vgs 2.0 biedt een oplossing voor foutaansluitingen en slordige lozingen zonder grote hoeveelheden schoon water af te voeren richting rwzi. Daarmee komt meer water lokaal beschikbaar om het lokale oppervlaktewater door te spoelen of aan te vullen.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel