Waterdruk
Spuit met een beperkte waterdruk door. Tijdens het doorspuiten moet de druk bij de spuitkop tussen de 10 tot 15 bar liggen. Deze druk heeft in principe voldoende kracht om het vuil los te spuiten. Doorspuiten met te hoge druk kan de bodem rondom de drainageleiding verzadigen met water. Bij fijn bodemmateriaal kan hierdoor aan de buitenkant van de leiding zogenaamd loopzand ontstaan. Na terugtrekking van de spuitkop neemt de waterdruk in de drainageleiding weer af en kan slib van buiten mee naar binnen stromen. Tijdens het leegstromen kunnen bodemdeeltjes in de wand of omhulling achterblijven.
 
Doorspuiten in natte perioden
Spuit bij voorkeur door tijdens natte perioden. Bij een droge drainageleiding zit het vuil doorgaans vast, wat het doorspuiten bemoeilijkt. Bij drainageleidingen die beneden de laagste grondwaterstand liggen, maakt dit niet uit.
 
Afstandmeter
Gebruik een doorspuitmachine met afstandmeter. Met deze afstandmeter is te bepalen waar een eventuele verstopping zit. Na de onderhoudswerkzaamheden wordt duidelijk of de leiding aan reparatie of vervanging toe is.
 
Registratie van storingen
Houd op tekening (en in uw beheersysteem) bij welke drainageleidingen u hebt doorgespoten en welke niet. Als leidingen niet door te spuiten waren, vermeld dan de reden. Bijvoorbeeld dat u een put niet kon terugvinden of dat sprake was van een verstopping.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel