De reeksberekeningsresultaten bestaan uit een beschrijving van het debietverloop van elke overstort, uitlaat en gemaal tijdens de hele neerslagreeks. Op basis van deze resultaten kunt u statistische informatie genereren, zoals gemiddelden, werkingsfrequenties en over- en onderschrijdingskansen.

Neerslagreeks is geen verzameling afzonderlijke gebeurtenissen

In de reeksberekening moet u rekening houden met het feit dat de hydraulische toestand aan het begin van elke neerslaggebeurtenis in de reeks variabel is, afhankelijk van de voorgaande gebeurtenis, de tussenliggende droogweerperiode en de meteorologische toestand. De neerslagreeks mag u dus niet als een serie afzonderlijke gebeurtenissen zien. Alleen in een reeks, inclusief tussenliggende droogweerperioden, kunt u het effect van opeenvolging van neerslaggebeurtenissen correct bepalen.

Figuur A Opeenvolging van neerslaggebeurtenissen in reeksberekening Vergroot afbeelding

Twee manieren van doorrekenen

In figuur A staan schematisch twee manieren waarop u op correcte wijze de opeenvolging van neerslaggebeurtenissen kunt berekenen. Bij de eerste manier rekent u de neerslagreeks volledig in tijd door. Deze methode is het eenvoudigst, maar vraagt veel rekentijd voor het doorrekenen van de (voor de resultaten niet interessante) droogweerperioden. 

Bij de tweede manier rekent u de neerslaggebeurtennissen door totdat het rioolstelsel in het dwa-patroon terechtkomt. Op dat moment maakt u, om rekentijd te besparen, een sprong naar het begintijdstip van een volgende neerslaggebeurtenis. Om deze sprong te kunnen maken, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  1. Aan het begin van de sprong moet het volledige hydraulische model weer teruggekeerd zijn naar dwa-condities.
  2. U moet de condities van het gebruikte inloopmodel bij de start van de nieuwe bui kennen. Dit houdt in dat bij aanvang van de bui de oppervlakteberging bekend moet zijn, evenals de infiltratiecapaciteit.

Methode voor een reeksberekening met sprongen

Een werkbare manier  om aan deze voorwaarden te voldoen is de volgende:

  • Maak eerste een reeksberekening met alleen het inloopmodel voor de volledige reeks (dit gaat meestal vrij snel); bepaal de beschikbare oppervlakteberging en infiltratiecapaciteit bij de start van elke bui.
  • Bepaal voor het rioleringsmodel de karakteristieke ledigingsduur die nodig is om na afloop van een overstorting weer in het dwa-patroon terecht te komen. Voor deze bepaling kunt u het model doorrekenen met een neerslaggebeurtenis waarvan u zeker weet dat deze tot overstorting leidt.
  • Na afloop van elke neerslaggebeurtenis rekent u minimaal door met deze karakteristieke ledigingsduur vóórdat u een sprong maakt naar de volgende neerslaggebeurtenis.
  • In de reeksberekening mag u een periode tussen twee buien alleen overslaan indien de tijd tussen de twee opeenvolgende buien langer is dan de karakteristieke ledigingsduur.
  • Gebruik bij de start van de nieuwe neerslaggebeurtenis de initiële condities zoals verkregen uit de reeksberekening met het inloopmodel. Alleen als de oppervlakteberging als gevolg van verdamping en infiltratie geheel leeg is en de hersteltijd van de infiltratiecapaciteit bereikt is, dan u uitgaan van 'droge' initiële condities bij het begin van de nieuwe bui (als ware het een gebeurtenisberekening).
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel