Schadevergoedingsregeling Waterwet

Er kan sprake zijn van schade door (noodzakelijk en daarom) rechtmatig overheidshandelen. Dit betekent dat een overheidsorgaan (bijvoorbeeld de gemeente of het waterschap) een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer uitoefent, waardoor een burger schade lijdt. Hiervoor kent de Waterwet een compensatieregeling (art. 7.14 e.v.). Wie als gevolg van een rechtmatig genomen besluit schade lijdt (meer dus dan alleen overlast) of denkt te zullen lijden, kan op grond van deze regeling een verzoek tot schadevergoeding indienen bij het betrokken bestuursorgaan. Dit bestuursorgaan moet de benadeelde partij een vergoeding toekennen voor zover de schade redelijkerwijs niet (of niet geheel) voor zijn eigen rekening is én niet (of niet voldoende) op een andere manier is verzekerd. 

Schade door rechtmatig handelen

Volgens artikel 7.15 Waterwet valt onder schade die ontstaat door rechtmatig handelen onder meer:

  • Schade door wateroverlast of overstromingen, als deze het gevolg zijn van het verleggen van een waterkering of van andere maatregelen om de afvoer- of bergingscapaciteit van watersystemen te vergroten.
  • Schade aan een onroerende zaak (een perceel of een gebouw) die ontstaat door een vergunde grondwateronttrekking of hiermee samenhangende infiltratie. Deze schade moet de vergunninghouder (dus het grondwateronttrekkende bedrijf) zelf verhelpen/vergoeden, voor zover dit redelijkerwijs mogelijk is (art. 7.18 Waterwet). Degene die door de onttrekking schade heeft geleden, kan de provincie vragen onderzoek in te stellen naar deze schade. Dit vergemakkelijkt de rechtsgang, in het bijzonder de bewijslast, voor de schadelijdende partij (art. 7.10 Waterwet).

Schade door verminderen of stoppen grondwateronttrekking

In de praktijk komt het voor dat een bedrijf een grondwateronttrekking vermindert of zelfs stopt. De gevolgen hiervan kunnen dusdanig zijn dat mitigerende maatregelen nodig zijn. De Waterwet heeft geen regeling voor schade als gevolg van verminderde of gestopte grondwateronttrekkingen. Een onttrekkingsvergunning geeft het recht om te mogen onttrekken, maar verplicht niet tot (eeuwig) onttrekken. Het staat de vergunninghouder dus vrij om een onttrekking te verminderen of beëindigen. Wel kan het bevoegd gezag (de provincie of het waterschap) voorschriften aan de vergunning verbinden, bijvoorbeeld om beëindiging tijdig te melden en maatregelen te nemen om de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen of beperken. Ook is het mogelijk om hiervoor financiële zekerheid te eisen (art. 6.20 Waterwet).

Criteria om schadevergoeding toe te kennen

Uit artikel 7.14 Waterwet volgen enkele criteria waaraan voldaan moet zijn voordat het bestuursorgaan schadevergoeding toekent (Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State, 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:356):

  1. Er moet sprake zijn van rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer.
  2. De schade moet het gevolg zijn van de genoemde uitoefening van een taak of bevoegdheid. In de praktijk blijkt dit voor veel benadeelde partijen een moeilijke eis. Dat komt omdat vaak verschillende factoren meespelen die de schade al dan niet tezamen hebben veroorzaakt. Juridisch heet dat multicausaliteit. 
  3. De schade behoort niet of niet geheel ten laste van de gedupeerde te blijven. Het bestuursorgaan vergoedt alleen de zogenoemde onevenredig zware schade (in vergelijking met andere burgers). Praktisch gezien gaat het dan om schade die uitstijgt boven het 'normaal maatschappelijk risico': het risico dat het wonen en werken in een bepaald gebied nu eenmaal met zich meebrengt.
  4. De vergoeding van schade is niet of niet voldoende anderszins verzekerd. Het is niet de bedoeling dat de schadelijdende partij meer schadevergoeding ontvangt dan de omvang van de geleden schade. Als bijvoorbeeld een verzekeraar de schade deels vergoedt (denk aan dekking uit een opstal- of omzetdervingsverzekering), dan houdt het bestuursorgaan hiermee rekening bij het eventueel uitkeren van een schadevergoeding op grond van de Waterwet (verrekening).
  5. Verjaring. Een bestuursorgaan kan een schadevergoedingsclaim afwijzen als er vijf jaren zijn verlopen na de dag waarop de schade zich heeft geopenbaard dan wel nadat de benadeelde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schade (art. 7.14, derde lid Waterwet). De mogelijkheid om een schadevergoedingsverzoek in te dienen, verjaart in elk geval na verloop van twintig jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis. 

Verjaring en 'sluipende schade' (zoals funderingsschade)

De verjaringstermijnen (zie punt 5 hierboven) zijn niet zo gemakkelijk toepasbaar bij vormen van 'sluipende schade', zoals funderingsschade. De rechter – zowel de Hoge Raad (HR) als de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) – heeft zich hierover uitgesproken. Voor de twintigjaartermijn geldt namelijk dat onbekendheid met de schade de aanvang van de verjaringstermijn niet opschort. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt een uitzondering op deze regel in gevallen van bodemverontreiniging en andere schadevormen die naar hun aard gedurende lange tijd een verborgen karakter hebben (HR 9 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0707 (Gemeente Maassluis)). De redelijkheid en billijkheid verzetten zich dan tegen een beroep op verjaring.1 De vraag is dan of bijvoorbeeld waterpeilverlagingen die invloed hebben op de grondwaterstand op één lijn zijn te stellen met de genoemde gevallen van bodemverontreiniging en andere vormen van verborgen schade. Dit is volgens de ABRvS niet het geval.2 

Schade door gemeentelijk stedelijk waterbeheer

Schade als gevolg van feitelijke rioleringswerkzaamheden (vervanging of herstel van een riool of het in verband hiermee aanleggen van infiltratievoorzieningen) of werkzaamheden aan bijvoorbeeld de weg, worden via een actie op grond van een onrechtmatige daad geclaimd en beoordeeld. Hetzelfde geldt voor schade die voortvloeit uit een gestelde overtreding van de hemel- of grondwaterzorgplicht (beide geregeld in de Waterwet).


1 Dijk, van D., Gebouwschade door peilbeheer in Friesland, de behandeling van verzoeken om schadevergoeding, TBR 2010, nr. 7, p. 662.
2 ABRvS, 22 april 2009, LJN: BI 1836, zaaknr.: 200805473/1 (en daarvoor: Rechtbank Leeuwarden, 20 juni 2008, AWB 07/15 en AWB 06/2241.) De ABRvS baseerde zich onder meer op eerdere uitspraken: Gerechtshof Leeuwarden, 31 mei 2006, LJN: AX 6402 en Hoge Raad, 11 april 2008, LJN: BC1238.

Heeft u suggesties? Laat het ons weten!

Stuur uw suggestie.
Vorige artikel Volgende artikel