In tabel A staan de randvoorwaarden voor de omgeving.

B1 Systeem











 
B1.1 Transportmechanisme
  • (onder-/over)druk
  • vrijverval
B1.2 Type stelsel
  • gescheiden
  • gemengd
B1.3 Waterstroom
  • hoeveelheid
  • hoedanigheid
B1.4 Plaats onderdeel
  • diepteligging
  • tracé/ locatie
  • toleranties
B2 Omgeving

















 
B2.1 Maaiveld
  • hoogte
  • verharding
  • verkeerssituatie
  • grondgebruik
B2.2 Bodem
  • structuur
  • hoedanigheid
B2.3 Grondwater
  • stand
  • hoedanigheid
B2.4 Oppervlaktewater

 
  • stand
  • functie
  • hoedanigheid
B2.5 Ondergrondse infrastructuur
 
  • locatie/ tracé
  • functie
B3 Beheerstrategie







 
B3.1 Inspectie
  • methode
  • intensiteit
B3.2 Onderhoud
  • methode
  • intensiteit
B3.3 Opheffen defecten
  • methode
  • acceptatie risico
B4 Coördinatie 
























 
B4.1 Wetgeving
  • vergunningen
  • procedures
  • beleid (GRP)
B4.2 Normen en richtlijnen
  • NEN/ NPR/ Bouwbesluit
  • Leidraad Riolering
  • lokale verordeningen
B4.3 Planning






 
  • inspraaktermijnen
  • aanlegperiode/ fasering
  • financiering
  • tijdelijke voorzieningen
  • plannen van derden
  • voorlichting
B4.4 Organisatie






 
  • belanghebbenden
  • advisering
  • aanneming
  • verzekeringen
  • toezicht
  • leveranciers

 Tabel A Randvoorwaarden omgeving
 
Toelichting op tabel A
 
B1.1 Transportmechanisme
Uitgangspunt is de afvoer van afval-, hemel- en grondwater onder vrijverval. Als u grotere afstanden of hoogteverschillen moet overbruggen, kunt u druk als transportmechanisme toepassen. Let dan bij aanleg en vormgeving goed op:

  • krachten in langsrichting (waterslag en trekvaste verbindingen bij richtingsverandering);
  • de verblijftijd van afvalwater in een persleiding;
  • de vereiste waterdichtheid.
B1.2 Type stelsel
Het type stelsel bepaalt of u rekening moet houden met een gemengde of gescheiden afvoer van afval-, hemel- en grondwater. Besteed aandacht aan perceelaansluitingen in gescheiden stelsels. Vooral als er onderscheid is tussen de afvoer van vuil hemelwater naar een rwzi (verbeterd gescheiden stelsel) en de afvoer van schoon hemelwater direct naar oppervlaktewater of infiltratievoorzieningen (conventioneel gescheiden stelsel, afkoppelen afvoerend oppervlak). Ook drukrioleringen zijn (meestal) niet gedimensioneerd op hemelwaterafvoer.
 
B1.3 Waterstroom
Afval- en hemelwater hebben invloed op de capaciteit en stroomprofilering. Stem de materiaalkeuze af op de agressiviteit van afvalwater. Neem eventueel extra veiligheidsmaatregelen bij de inspectie en het onderhoud van een stelselonderdeel.
 
B1.4 Plaats onderdeel
De fysieke locatie van een onderdeel kan een belangrijke invloed hebben op het functioneren van het stelsel als geheel. De plaats heeft ook invloed op de aansluiting op andere onderdelen, het eventueel te volgen tracé en de diepteligging. Let hierbij op de toelaatbare toleranties.
 
B2.1 Maaiveld
Het detailontwerp is op verschillende manieren afhankelijk van de bovengrondse situatie:
  • de helling van het terrein bepaalt de inleiding van hemelwater;
  • asfalt werkt kostenverhogend op de aanleg;
  • de verkeerssituatie (een winkel- of woonstraat) of een trambaan kan een sleufloze aanlegtechniek noodzakelijk maken.
Om omwonenden te ontzien, kunt u extra maatregelen nemen tegen overlast (geluid, trillingen) tijdens de uitvoering. Let ook op de toegankelijkheid van bouwlocaties voor zwaar materieel.
 
B2.2 Bodem
De bodemstructuur bepaalt de zettingsgevoeligheid en daarmee de fundering van onderdelen. Door uitloging kunnen agressieve stoffen (veenzuren) materialen aantasten. De grondsoort speelt ook een rol bij de aanleg (grondverzet en helling sleuf). De gevoeligheid voor zettingen varieert van groot (in klei- en veenachtige bodem) tot minimaal (in een zandondergrond). Een grondmechanisch onder-zoek geeft aan of u zettingen kunt verwachten en op welke termijn. Stem de functieduur hierop af.
 
B2.3 Grondwater
Grondwater bemoeilijkt de uitvoering. Zo kan grondverzet in een ondoorlatende kleilaag leiden tot opbarsten en extra kwel. Ook een niet-homogene bodem kan de aanvoer van grondwater vergroten, bijvoorbeeld door verschillende, meer en minder doorlatende lagen. De bemaling van sleuven en bouwputten belast de onderdelen. Ook waterdruk (risico voor opdrijven) en in grondwater op-geloste agressieve stoffen kunnen onderdelen aantasten. Bij bemalingen moet u alert zijn op onbe-doelde verspreiding van in de omgeving aanwezige bodemverontreiniging. Bij vervanging van nietwaterdichte leidingen kunt u overwegen extra drainage aan te leggen om grondwateroverlast te voorkomen. Ook grondwater- en bodemverontreiniging door lekkende leidingen leidt bij vervanging tot vertraging.
 
B2.4 Oppervlaktewater
Bij de detaillering van overstortputten en uitlaten moet u voorkomen dat oppervlaktewater in het riool kan stromen. Andersom moet u oevers en watergangen beschermen tegen erosie bij overstortingen. Als afval- en hemelwaterleidingen met oppervlaktewater kruisen, zijn bijzondere aanlegtechnieken nodig, zoals zinkers en gestuurde boring.
 
B2.5 Ondergrondse infrastructuur
Ondergrondse infrastructuur kan bestaan uit:
  • verschillende typen kabels en leidingen;
  • damwandschermen;
  • keerwanden;
  • duikers;
  • tunnels;
  • funderingen;
  • andere obstakels (zoals met puin gedempte watergangen, oorlogsmunitie en archeologische vondsten).
Let bij de ondergrondse infrastructuur op de diepteligging, de locatie (of het tracé) en de functie. In de gebruiksfase kan de ligging van kabels en leidingen de toegang tot het riool belemmeren. Andersom kan de aanleg van een stelselonderdeel ook de bereikbaarheid van ondergrondse infrastructuur bemoeilijken.
 
B3.1 Inspectie
Stelselonderdelen moeten toegankelijk zijn voor inspectie. De beheerder kiest een methode om de toestand in beeld te brengen. De gekozen aanpak en ervaring bepalen hoe en hoe vaak inspectie plaatsvindt. U kunt compromissen in het ontwerp opnemen en deze compenseren door de onderdelen vaker te laten controleren.
 
B3.2 Onderhoud
Onderdelen vereisen onderhoud om goed te functioneren. De kosten daarvan zijn afhankelijk van de onderhoudsmethode en -frequentie. Zo stellen toegankelijkheid en de mate van reiniging eisen aan vormgeving en materiaalgebruik. Net als bij inspectie kunt u met systematisch onderhoud een investering in (aanvullende) voorzieningen achterwege laten.
 
B3.3 Opheffen defecten
Als een onderdeel bezwijkt, kan dat gevolgen hebben voor het functioneren van het systeem als geheel. In hoeverre u risico’s accepteert, hangt af van de aanpak bij storingen en defecten. Bij een gemaal met signaleringssysteem hoeft u bijvoorbeeld mogelijk geen reservepompen te installeren. Perceelaansluitingen zult u regelmatig moeten ontstoppen. De aanpak kan per beheerder verschillen en daarvan zijn ook de plaats en noodzaak van een ontstoppingsstuk afhankelijk.
 
B4.1 Wetgeving
Wetgeving heeft invloed op veel ontwerpaspecten. Vaak moet u voor de aanleg vergunningen aanvragen en een voorgeschreven procedure volgen. Wetgeving geeft een kader waarbinnen de rioleringsbeheerder gestalte kan of zelfs móét geven aan het eigen beleid. Zo moet een gemeente bijvoorbeeld een gemeentelijk rioleringsplan (GRP) opstellen of duurzame ontwikkelingen nastreven.
 
B4.2 Normen en richtlijnen
Normen, richtlijnen en lokale verordeningen stellen eisen aan de stelselonderdelen en aan het aanleg- en beheerproces van een afval-, hemel- of grondwatersysteem.
 
B4.3 Planning
Enkele zaken hebben invloed op de tijdsplanning van werkzaamheden:
  • de inspraaktermijnen bij een vergunningaanvraag;
  • de geschikte aanlegperiode (verschillende grondwaterstand in winter en zomer);
  • de beschikbaarheid van geld;
  • de fasering van werkzaamheden in bijvoorbeeld een nieuwe uitbreiding.
 Werkzaamheden aan een afval-, hemel- of grondwaterstelsel leiden vaak tot tijdelijke verkeers-maat-regelen. Bij gelijktijdige uitvoering van verscheidene werken is afstemming zeer belangrijk. Denk hierbij ook aan de planning en uitvoering van werken van derden. Om de aanlegperioden zo kort mogelijk te houden, kunt u overwegend prefabelementen gebruiken. Ook ploegendiensten en alternatieve aanlegtechnieken kunnen een uitkomst bieden. Werkzaamheden aan riolering kunnen veel overlast veroorzaken. Met extra communicatie legt u de noodzaak ervan uit.
 
B4.4 Organisatie
Bij de organisatie van een rioleringswerk zijn vaak veel belanghebbenden betrokken. Elk belang kan invloed uitoefenen op de detaillering en aanleg. Rioleringswerken zijn soms zó complex, dat de rioleringsbeheerder delen van de werkzaamheden uitbesteedt aan specialisten.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel