Perceptie en werkelijkheid van extreme buien

Bij extreme buien denken we aan een herhalingstijd van één keer per 100 jaar. Die 100 jaar lijkt voor veel mensen ver van hun bed. De praktijk is dat een 60-minutensom van minimaal 60 mm op 1 km2 in de afgelopen 9 jaar gemiddeld meer dan 70 keer per jaar ergens in Nederland is gevallen. 

Het KNMI en Stichting RIONED onderzoeken de kans op extreme buien aan de hand van radarbeelden. Hiervoor zijn alle 60-minutensommen van 60 mm of meer met de radarbeelden van 1 km2 voor de periode 2008 t/m 2016 (9 jaar) geteld. In totaal gaat het om circa 36 miljard waarnemingen per 5 minuten. In RIONEDreeks 18 (2014) heeft Aart Overeem (KNMI) deze telling ook uitgevoerd voor de periode 2008 t/m 2012. Voor die periode ligt de frequentie van minimaal 60 mm neerslag in 60 minuten per km2 op gemiddeld 63 keer per jaar. De toename van 63 naar 74 keer per jaar kunnen we formeel niet duiden als een klimaateffect, maar is wel opmerkelijk groot en past in het beeld van een ontwikkeling naar extremer weer.
 

Figuur 1 Regen ergens in Nederland/stad, klimatologische radardataset 2008 t/m 2016
 

Volgens het huidige klimaat is de kans op 60 mm in 60 minuten ongeveer één keer per 100 jaar op een vaste locatie. Die kans evolueert in de loop van de jaren, door klimaatontwikkeling. Voor de vorige eeuw lag die kans bij een (klok)uursom van circa 43 mm. Bovendien zal dezelfde hoeveelheid veel vaker ergens in een gebied worden overschreden dan op een vaste locatie in dat gebied.

Het verschil tussen een kans van één keer per 100 jaar op een punt of ruim 70 keer per jaar ergens in Nederland geeft een duidelijk verschil in perceptie. Een frequentie van ruim 70 keer per jaar ergens in het land laat zien dat extreme buien niet ver van ons bed optreden, maar een verschijnsel van nu zijn. Doordat je overal meet, vind je veel extremen. Bovendien kijken we met radar naar de afgelopen jaren, die representatief zijn voor ons huidige klimaat. Hierdoor meten we ook veel buien die in een toekomstig klimaat vaker zullen optreden. Het is niet meer dan logisch dat de buien van 2050 nu al optreden. Sterker nog, de verwachting is dat de extremen nog flink gaan toenemen.

Kans op overlast?
Het lijkt erop dat we het acceptabel (gaan) vinden dat een gebeurtenis met een herhalingstijd van 100 jaar overlast in de vorm van schade mag geven in stad of dorp. Maar begrijpen we wel wat een herhalingstijd van 100 jaar betekent?

Eenvoudige kansberekening laat zien dat een gebeurtenis met een herhalingstijd van 100 jaar over een periode van 60 jaar een (gestapelde) kans van optreden heeft van 45%. Stel dat de herhalingstijd van die gebeurtenis van 100 jaar in die periode afneemt naar 10 jaar door klimaatontwikkeling. Dan is de kans dat een T=100-gebeurtenis optreedt over de periode van 60 jaar ruim 90%. Zo ver van ons bed is dat dus niet.

Als we een situatie dimensioneren op een schadekans van één keer per 100 jaar volgens het huidige klimaat en we nemen aan dat die kans over 60 jaar zich ontwikkeld naar circa één keer per 10 jaar, dan hebben we over een periode van 60 jaar een kans op schade van ergens tussen 45 en 90%.

Interessante vraag is of we ons realiseren dat de kans op water in de woning zo groot kan zijn als we onze omgeving inrichten op een T=100-gebeurtenis. Algemeen beeld is toch dat we regenwater in huis NIET acceptabel vinden. Als we de kans op inlopend regenwater in een periode van 60 jaar willen beperken tot maximaal 20%, moeten we uitgaan van een herhalingstijd van 1.000 jaar. Bij een kans van maximaal 2,5% in 60 jaar betekent dat een herhalingstijd van circa 10.000 jaar.

Werkelijkheid?
Bij de analyse van de radarbeelden moeten we ons bedenken dat de werkelijkheid mogelijk nog extremer is dan de beschikbare waarnemingen laten zien. Radarbeelden zijn om diverse redenen minder nauwkeurig dan regenmeters als het gaat om extreme neerslaghoeveelheden.

De radarbeelden zijn afgestemd op waarnemingen van regenmeters op de grond. Maar het probleem van die regenmeters is dat de pakkans van extreme neerslag op een puntlocatie relatief klein is. Het afstemmen van radarbeelden op regenmeters betekent dus nog niet dat extreme neerslaghoeveelheden goed uit de verf komen. Algemeen beeld is dat extreme neerslag in radarwaarnemingen wordt onderschat.

De KNMI-regenradars zijn recent vervangen door stations met nieuwe verbeterde technieken. De radar van De Bilt is verplaatst naar Herwijnen, waar metingen niet worden gestoord door hoge gebouwen. Toevallig is Herwijnen de locatie waar een KNMI-regenmeter in 2011 de zwaarste kortdurende bui in Nederland heeft geregistreerd. 

Oproep

We zijn op zoek naar uw regenmetingen van (kortdurende) extreme buien, die we willen vergelijken met radarbeelden. Hebt u informatie, stuur dan een mail naar info@rioned.org, t.a.v. Harry van Luijtelaar. Wij registreren en controleren uw regenmetingen en maken die voor een breder gebruik toegankelijk. U ontvangt dan een vergelijking van uw bui met de radarbeelden.

Dit artikel is geschreven door Aart Overeem (KNMI) en Harry van Luijtelaar (Stichting RIONED). Later dit jaar volgt een bredere publicatie over dit onderwerp in RIONEDnieuws.


Kennisbank



U Bezocht Onlangs


GEEF UW SUGGESTIE