Voor grondwateronttrekkingen is een vergunning of melding op grond van de Waterwet of de keur van het waterschap nodig. Bij verontreinigd grondwater komt ook het beschermingskader van de Wet bodembescherming (Wbb) in beeld. Degene die handelingen wil verrichten waardoor de bodemverontreiniging vermindert of verplaatst, moet dit melden bij het bevoegd gezag (zie de pagina Graven in verontreinigde bodem).

Noodzakelijke gegevens bij de melding

Als een bodemverontreiniging (uitsluitend) door het onttrekken van grondwater vermindert of verplaatst (bijvoorbeeld bij een bronbemaling voor de aanleg of vervanging van riolering) zijn bij de melding de volgende gegevens noodzakelijk (artikel 28 lid 4 Wbb):

  • het voorgenomen tijdstip en de duur van de onttrekking van het verontreinigde grondwater;
  • de bestemming van het grondwater (wat gebeurt ermee?);
  • gegevens waaruit blijkt dat de grondwateronttrekking – en waar van toepassing het terugbrengen van dat grondwater – het belang van de bodembescherming niet schaadt;
  • een afschrift van de vergunningaanvraag of van de gedane melding aan het bevoegd gezag (meestal het waterschap).

Hierbij moet het gaan om het onttrekken van grondwater zoals bedoeld in art. 1.1 Waterwet, dus een onttrekking via een inrichting of werk dat bestemd is om grondwater te onttrekken. Met andere woorden, een vergunning- of meldingsplichtige grondwateronttrekking.

Saneringsregeling niet van toepassing

De saneringsregeling van de Wbb (zie de pagina Graven in verontreinigde bodem) is bij vergunning- of meldingsplichtige onttrekkingen van verontreinigd grondwater niet van toepassing. Het belang van de bodem is in principe geborgd bij de watervergunningprocedure, waarbij het bevoegd gezag de aanvraag heeft getoetst aan de doelstellingen van de Waterwet (artikel 2.1 Waterwet). Een van die doelstellingen is dat de aanwezigheid van verontreinigd grondwater wordt meegenomen in de bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem. Het Wbb-bevoegd gezag kan hier daarom volstaan met een beperkte toets (Kamerstukken II, 33150, nr. 3). De melder mag vijf weken na de melding beginnen met de handelingen, mits hij de vereiste watervergunning heeft gekregen (artikel 29 lid 5 en artikel 39 lid 6 Wbb).

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel