Er zijn drie typen ondergrondse infiltratievoorzieningen:
  • infiltratie-units;
  • infiltratiekoffers;
  • infiltratieriolen.

Infiltratie-units
Dit zijn ondergrondse infiltratievoorzieningen van kunststofmaterialen en bestaan uit geprefabriceerde (kunststof) buffers. Van daaruit kan het hemelwater in de ondergrond zakken. De buffers hebben een omhulling van geotextiel om te voorkomen dat bodemmateriaal in de voorziening spoelt.
 
De vervuiling slaat neer op de bodem van de voorziening. In de berekeningen tellen dan ook alleen de zijwanden mee als infiltratieoppervlak. Hebt u te maken met relatief slecht doorlatende gronden? Plaats de units dan in losse in plaats van aaneengesloten rijen. Dan blijft de infiltratiecapaciteit voldoende (zie figuur A).
 
Figuur A Relatie tussen opstelling infiltratieunits en infiltratiecapaciteit (bovenaanzicht)

Bij de inzameling van het hemelwater kunt u ook al vervuiling in de vorm van bladeren en zand zo veel mogelijk afvangen (zie Kwantitatieve aspecten).

Check of de infiltratie-units voldoende horizontale afvoercapaciteit hebben om het water naar de overloop af te voeren. Het water moet zich ook kunnen verspreiden over de voorziening (zie figuur B).
 
 
Figuur B Afvoercapaciteit bij infiltratie-units (bovenaanzicht)

In de bovenste situatie hebben de infiltratieunits een grote horizontale transportcapaciteit. In een overloopsituatie kan het water snel genoeg door de voorziening naar de overloop stromen. In de onderste situatie is de horizontale transportcapaciteit van de infiltratie-units alleen voldoende om het water langzaam over de voorziening te verspreiden. In een overloopsituatie is een aparte overloopleiding naar de overloop nodig (het rwa-riool).
 
Creëer in ondergrondse voorzieningen bij voorkeur inspectiemogelijkheden, zodat u kunt controleren of een infiltratievoorziening goed werkt. Zorg dat bijvoorbeeld de waterstand en eventueel aanwezig slib zichtbaar zijn. Bij sommige systemen kunt u dit zien via een inspectieput, bij andere (zoals de infiltratieunits) zijn aparte voorzieningen nodig. U kunt deze inspectievoorzieningen ook als bemonsteringsmogelijkheid gebruiken en om de voorziening (beperkt) te reinigen. Ook een overstort moet toegankelijk zijn om via de overstortfrequentie inzicht te krijgen in het hydraulisch functioneren.
 
Zorg voor voldoende ont- en beluchting. Bij de vulling van de ondergrondse voorziening moet de aanwezige lucht kunnen ontsnappen om plaats te maken voor het water. Hiervoor kan bijvoorbeeld een overloopconstructie, een inspectievoorziening of een voorziening dienen die hiervoor speciaal aangebracht is. Deze constructie kan de voorziening meteen beluchten.
 
Infiltratiekoffers
Dit zijn ondergrondse buffers van natuurlijke materialen, zoals kleikorrels, grind of lava. De buffer is van grof materiaal met een hoog percentage open ruimten (circa dertig tot veertig procent), voor de berging van water. Gebruik een omhulling van geotextiel om inspoeling van bodemmateriaal in de koffer te voorkomen. De transportcapaciteit van het materiaal is relatief klein. De vulling gaat met een drain. Daarnaast is een aparte overloopleiding nodig. De beheerder kan de drain in de voorziening doorspuiten. Bij een voldoende grote diameter is de drain inspecteerbaar. Sommige materialen (bijvoorbeeld lava) hebben een zekere bindingscapaciteit voor vervuiling. Over de grootte van de bindingscapaciteit is nog weinig bekend.
 
 Figuur C Voorbeeld van infiltratiekoffer met lava

Infiltratieriolen
Dit zijn riolen van beton, kunststof of gres met openingen of een poreuze structuur. Daardoor kan het hemelwater in de bodem infiltreren. Pas bij buizen met sleuven of gaten een geotextiel toe om inspoeling van bodemmateriaal tegen te gaan.

Een voordeel van deze voorzieningen is de eenvoudige inspectie en reiniging. Zeker vergeleken met ondergrondse infiltratiekoffers en -kratten. Overigens beperkt de reiniging zich tot het materiaal dat in de buis(wand) ligt. Verontreinigingen in het geotextiel en in de grond buiten de buis laten zich niet of nauwelijks verwijderen.

Infiltratieriolen die op oppervlaktewater lozen, moeten een drempel hebben. Deze voorkomt dat de voorziening direct leegloopt in het oppervlaktewater. Alleen als de berging vol is, mag de overloop gaan werken (zie figuur D).
 
 Figuur D Toepassing overloopdrempel bij infiltratieriolen

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel