Oorzaken en gevolgen van afwijkingen tussen gewenste en aangetroffen toestand

NEN EN 13508-1 (Onderzoek en beoordeling van de buitenriolering- Deel 1: Algemene Eisen) geeft aanwijzingen over oorzaken en gevolgen van schade in het rioolstelsel en het omgaan met de vastgestelde tekortkomingen. Deze norm is in het Engels en maakt geen expliciet onderscheid tussen systeem- of objectbeoordeling. Deze paragraaf gaat op basis van deze norm en NEN 3398 uit van objectbeoordeling en beschrijft de oorzaken en gevolgen van afwijkingen tussen de gewenste en aangetroffen toestand. Hierbij komen algemene en specifieke oorzaken aan bod.

Om faalmechanismen voor de objecten te kunnen analyseren, zijn slechts enkele toestandsaspecten van belang. Dit betreft voor riolen (codes volgens NEN-EN 13508-2) de volgende toestandsaspecten:

  • deformatie, alleen voor kunststof leidingen (BAA);
  • scheuren (BAB);
  • breuk/instorting (BAC);
  • oppervlakteschade, mechanisch of chemisch (BAF);
  • binnendringen van grond (BBD);
  • infiltratie (BBF);
  • lining toestanden (BAK).

Bij het beoordelen van de conditie van objecten gaat het vooral om faalmechanismen die betrekking hebben op de stabiliteit (verzakking, overbelasting, aantasting), afstroming en waterdichtheid. In alle gevallen moet u bij de analyse van faalmechanismen de context betrekken.Inspectieresultaten zijn bij de analyse van faalmechanismen slechts beperkt van invloed, omdat zij:

  • alleen de binnenzijde van de buis betreffen;
  • beperkt in omvang meetbaar zijn;
  • onnauwkeurig zijn;
  • een momentopname zijn;
  • bij opeenvolging van inspecties inconsistent blijken;
  • niets zeggen over de (rest)kwaliteit van het materiaal;
  • niets zeggen over de context van het object.

Ga dan ook niet klakkeloos uit van meerjarenplanningen of maatregelprogramma’s die hoofdzakelijk waarnemingen uit visuele inspecties gebruiken.

Bovendien hoeft een waarneming bij visuele inspectie geen schade te zijn. De inspecteur neemt alleen een bepaalde toestand waar. Of deze toestand afwijkt van een beginsituatie bij aanleg, wordt vaak alleen verondersteld. Daarom moet u de resultaten van een opleveringsinspectie in het beheerbestand vastleggen. Het woord schadebeeld is dus ook volstrekt fout. De inspecteur neemt alleen de toestand op dat moment op die plaats waar en voorziet deze van een unieke code, die ontleend is aan een catalogus met gecodeerde waarnemingen. Niet meer en niet minder. Een inspecteur neemt waar en registreert, een beheerder analyseert, beoordeelt en bepaalt het vervolg.

Bijna altijd gaat rioolreiniging onder hoge druk vooraf aan visuele inspectie. Bij deze reiniging verdwijnen vrijwel alle toestandsaspecten die van belang zijn bij het onderbouwen van faalmechanismen bij het beoordelen van het functioneren van het systeem. Faalmechanismen voor het functioneren betreffen naast ontoelaatbare emissies en onvoldoende afvoercapaciteit meestal doorsnedebelemmeringen ( zoals verstopping en obstakels) die de afstroming in het systeem beïnvloeden.

Algemene oorzaken afwijkingen

Algemene oorzaken van afwijkingen zijn vaak een gevolg van onvoldoende vakkennis en/of onvoldoende beheer bij gebrek aan voldoende financiële en personele middelen. Onvoldoende vakkennis uit zich in:

  • ontwerpfouten;
  • onvoldoende rekening houden met plaatselijke factoren;
  • onbekendheid met het toe te passen product;
  • geen acht slaan op productspecificaties;
  • onjuiste materiaaltoepassingen;
  • onzorgvuldige uitvoering;
  • onvoldoende en niet ter zake kundig toezicht;
  • onvoldoende materiaalkwaliteit. Vooral na de Tweede Wereldoorlog tot halverwege de jaren zestig van de vorige eeuw is materiaal gebruikt van vaak mindere kwaliteit. Dat geldt voor zowel de samenstelling van het materiaal als de verbindingen.

Naast een tekort aan vakkennis is bij afwijkingen vaak sprake van een tekort aan financiële of personele middelen. Hiervan zijn de specifieke gevolgen:

  • onvoldoende controle op naleving en handhaving van vergunningen;
  • ontoelaatbare veranderingen in de gebruikstoestand;
  • onvoldoende onderhoud;
  • slecht uitgevoerd reparatiewerk;
  • de noodzaak tot voeren van een calamiteitenbeleid.

Specifieke oorzaken

Hier vindt u de oorzaken en gevolgen van afwijkingen per functionele eis voor het object riool. Tussen haakjes staat de betreffende hoofdcode uit NEN-EN 13508-2 (en de daarop gebaseerde annex NEN 3399).

Waterdichtheid (BBF)

De waterdichtheid van de riolen hangt af van:

  • de dichtheid van de buiswand (scheuren);
  • de dichtheid van de verbinding tussen de buizen onderling.

Scheuren kunnen tot flinke infiltratie in de leiding leiden. Naast de kwaliteit van de (oudere) verbindingen zelf is de dichtheid van een verbinding vaak een gevolg van verplaatsing van de buizen ten opzichte van elkaar. Bijvoorbeeld door onregelmatige zettingen. Ligt het riool bóven de grondwaterstand, dan treedt exfiltratie (BBG) op. Ligt het riool ónder de grondwaterstand, dan infiltreert grondwater en kan zand inspoelen. Dit laatste kan leiden tot het ontstaan van (plotselinge) verzakkingen van het bovenliggende wegdek en stabiliteitsverlies van de buis. Als de ingrijpmaatstaf voor binnendringen van bodemmateriaal is bereikt of overschreden, moet u als beheerder actie ondernemen. Maar zandinspoeling is moeilijk te constateren, want bij tv-inspectie verdwijnt de relevante informatie door voorafgaande reiniging van het riool. En bij foto-inspectie is het de vraag of het in de leiding bezonken materiaal in het systeem is gekomen op de plaats waar de inspecteur het heeft waargenomen.

Andere gevolgen van infiltratie kunnen zijn: onnodige belasting van de rioolwaterzuivering en omgevingseffecten door daling van de grondwaterstand.

Stabiliteit

Afwijkingen bij maatstaven voor stabiliteit kunnen het gevolg zijn van:

  • Beschadiging (mechanische schade: BAF-A) is meestal het gevolg van onzorgvuldig handelen tijdens fabricage, transport of aanleg. Daarnaast werden buizen in het verleden nogal eens uitgehakt voor inlaten. Beschadigingen kunnen leiden tot scheurvorming.
  • Aantasting (chemische schade: BAF-B, C, of D) kent meerdere mogelijke oorzaken. Biogene zwavelzuuraantasting en rechtstreekse chemische aantasting komen het meest voor. Ernstige aantasting kan tot (plotseling) stabiliteitsverlies leiden. Voordat u maatregelen treft, moet u eerst de oorzaak van de aantasting opsporen en deze zo mogelijk stoppen. Ook moet u bij aantasting altijd nader onderzoek laten doen om de resterende wanddikte te bepalen, bijvoorbeeld door boorkernonderzoek. Hierna kunt u een sterkteberekening van de buis maken.
  • Scheuren (BAB of BAC) ontstaan als de toelaatbare spanningen in de buiswand worden overschreden. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Meestal kunt u de oorzaak relateren aan de plaats van de scheur en het type scheur. Scheuren in langsrichting van de buis leiden eerder tot stabiliteitsverlies dan scheuren in de omtrek van de buis.
  • Deformatie (BAA) treedt op bij kunststof buizen. Omvangrijke deformatie van de dwarsdoornede is een indicatie voor dreigend stabiliteitsverlies. Onjuiste uitvoering (sleufaanvulling) of overbelasting van de buis kan de oorzaak zijn.

Afstromingstoestand

Afwijkingen bij maatstaven voor de afstromingstoestand kunnen het gevolg zijn van:

  • Sedimentatie van bezinkbare delen (BBC). Zelfreiniging van riolen is met de gebruikelijke flauwe buishellingen in Nederland vrijwel niet te realiseren. Om te voorkomen dat sediment de afvoercapaciteit belemmert, moet u dit periodiek verwijderen.
  • Stagnatie in de afvoer door onregelmatig afschot. Dit is niet vast te stellen met uitsluitend visuele inspectie. Afvoerstagnatie kan ontstaan door onregelmatige zettingen, onvoldoende reiniging of gemalen die niet goed functioneren. Afzettingen en stagnerende afvoer van rioolwater kunnen aanleiding zijn voor onder meer stank, aantasting en grotere vuiluitworp tijdens overstortingen.
  • Stagnatie in de afvoer door (plaatselijke) wortelingroei (BBA). Door beschadigingen aan of nabij ingehakte inlaten, buisverbindingen en buisputverbindingen kunnen bij riolen boven de grondwaterstand wortels ingroeien. Dit kan leiden tot verstoppingen. Geen enkele buisverbinding is uiteindelijk bestand tegen wortelingroei. Na constatering kunt u de wortels laten verwijderen: met een wortelfrees of handmatig (als het riool toegankelijk is). Als u de beplanting handhaaft, komen de wortels opnieuw terug. Een riool is (conform de RAW-systematiek) toegankelijk als de diameter 800 mm of groter is.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel