Het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) bevat regels voor vele categorieën lozingen bij activiteiten die plaatsvinden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer (Wm). Het Blbi reguleert ook lozingen in de riolering vanuit de openbare ruimte. Hieronder vallen alle lozingen die niet tot de categorieën Wm/Wabo-inrichtingen en particuliere huishoudens behoren. Het Blbi is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) op grond van de Wm, de Wet bodembescherming (Wbb) en de Waterwet. Bedrijven die afvalwater lozen en niet zijn aangewezen als inrichting in de zin van de Wm/Wabo, vallen binnen de reikwijdte van het Blbi. Voorbeelden zijn kleine winkels en kantoortjes.

Algemene regels voor indirecte lozingen

Door de komst van het Blbi is de vergunningplicht voor diverse lozingen in oppervlaktewater, bodem, riolering en rwzi opgeheven en vervangen door algemene regels. Het Blbi bevat in hoofdstuk 3 algemene regels voor de volgende indirecte lozingen (lozingen in de hemelwaterriolering, drainagestelsels of vuilwaterriolering):

  1. Grondwaterlozingen bij bodemsanering en proefbronnering.
  2. Grondwaterlozingen bij ontwatering.
  3. Lozen van afvloeiend hemelwater.
  4. Lozen bij werkzaamheden aan vaste objecten.
  5. Lozen bij het uitwendig wassen van motorvoertuigen.
  6. Lozen bij het op- en overslaan van goederen.
  7. Lozen uit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater ('overstorten').
  8. Lozen van schoonmaakwater bij drinkwaterbereiding en -distributie.
  9. Lozen bij een calamiteitenoefening.
  10. Lozen van spoelwater van een open bodemenergiesysteem.

Voor riooloverstorten (nr. 7) is daarmee dus een eind gekomen aan de vergunningplicht (‘overstortvergunningen’ op grond van Waterwet en daarvoor de Wvo). Het GRP heeft hierbij een centrale rol. Voorwaarde is namelijk dat de gemeente de voorzieningen en het beheer ervan in het GRP omschrijft. Bovendien moet zij het beheer en de lozingen ook conform het GRP uitvoeren.

Lozingen bij bouwputbemaling of bronnering (nr. 1)

Bij bouwwerkzaamheden wordt vaak grondwater onttrokken om de bouwput droog te houden (bronbemaling). Grondwateronttrekking bij bronbemalingen is geregeld in de keur of algemene regels van het waterschap. Vaak is hiervoor een watervergunning nodig. Kleinere bronneringen zijn niet vergunningplichtig, maar meestal moet de bouwer deze wel melden. Dit geldt voor bronneringen tot een bepaald maximaal debiet per uur, maand, kwartaal en/of half jaar en een bepaalde maximale duur (meestal zes maanden). Het waterschap is bevoegd gezag voor de watervergunning voor grondwateronttrekkingen op grond van de keur. (Zie voor meer informatie Grondwateronttrekkingen en lozingen.) 
 
Bemalingen/bronneringen kunnen plaatsvinden in de openbare ruimte, maar bijvoorbeeld ook binnen een Wm-inrichting. Het verschil is juridisch van belang voor de lozingsregels die van toepassing zijn: het Blbi (openbare ruimte) of het Activiteitenbesluit (voor Wm-inrichtingen). In beide gevallen staan de regels voor deze lozingen in artikel 3.2 van het betreffende besluit.

De bouwer kan het onttrokken grondwater:

  • Terugbrengen in de bodem (retourbemaling). De lozing buiten een inrichting of binnen een type-A-inrichting hoeft de bouwer niet te melden. Binnen een type-B- of -C-inrichting moet hij de lozing wel melden. Het terugbrengen van het onttrokken grondwater is ook in de watervergunning voor de onttrekking te regelen. In dat geval zijn het Activiteitenbesluit en Blbi niet van toepassing (zie art. 2.2 lid 5).
  • Lozen in oppervlaktewater, een hemelwaterriool of ontwateringsstelsel (drainagestelsel). Deze lozing is meldingsplichtig, tenzij het lozen niet langer duurt dan 48 uur, niet meer bedraagt dan 5 m3/uur en plaatsvindt vanuit de openbare ruimte of een type-A-inrichting.
  • Lozen in een vuilwaterriool. Deze lozing is meldingsplichtig als deze korter duurt dan acht weken en niet meer dan 5 m3/u bedraagt. Als de lozing langer duurt of een hoger debiet heeft, is deze verboden. De gemeente kan de lozing dan wel toestaan via een maatwerkvoorschrift (in een individueel geval) of via de hemel- en grondwaterverordening (voor een gebied of de hele gemeente).

Lozingen van afvloeiend hemelwater (nr. 3)

Voor hemel- en grondwaterlozingen zijn alleen algemene voorschriften uitgewerkt en geldt de zorgplicht. In de regel zijn lozingen van afvloeiend hemelwater zonder beperkingen toegestaan. ‘Zonder beperkingen’, maar wel met inachtneming van de zorgplicht. Als het bevoegd gezag reden ziet om toch een beperking in de vorm van een maatwerkvoorschrift op te leggen, dan kan dat. Voor een lozing van afvloeiend hemelwater in een openbaar vuilwaterriool kan de gemeente als bevoegd gezag bijvoorbeeld een perceeleigenaar verplichten om hemelwater gedeeltelijk op eigen terrein te bergen, als het riool de hoeveelheid hemelwater niet aankan.

Regels voor gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen (door gemeente)

Het Blbi bevat ook regels voor het gebruik van onkruidbestrijdingsmiddelen (art. 3.4, lid 4 en 5). Deze eisen zijn voor gemeenten zeker ook van belang. De middelen mogen alleen op halfopen en gesloten verhardingen worden gebruikt, als sprake is van 'pleksgewijze behandeling met selectieve toepassingstechnieken'. Daarbij geldt dat de kans op neerslag voor een periode van 24 uur na het voorgenomen gebruik niet groter mag zijn dan 40% volgens het KNMI-weerbericht voor de desbetreffende regio van het land. Simpel gesteld: bij een aardige kans op regen is het verboden om onkruidbestrijdingsmiddelen te gebruiken. Bovendien is gebruik van de bedoelde middelen niet toegestaan in of nabij straatkolken of putten.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel