Veel hemelwater- en gemengde stelsels hebben knijpconstructies om tijdens neerslag de berging van een hooggelegen gebied te kunnen benutten. Knijpconstructies zijn er in de volgende hoofduitvoeringen:

  1. interne overstort  met doorlaat;
  2. regelbare klep;
  3. wervelventiel.
Figuur A Doorlaat en regelbare klepVergroot afbeelding

Interne overstort met doorlaat

De doorlaat zorgt voor een minimale afvoer naar het lagergelegen gebied. Zodra de hydraulische belasting hoger wordt dan deze afvoer, wordt het water in het hogergelegen gebied geborgen tot een bepaalde maximale waterstand. Bij overschrijding van dit peil treedt een soort noodafvoer in werking. Deze noodafvoer kan een interne overstort zijn, vaak in combinatie met externe overstorten in het hogergelegen gebied. Hoe u een overstort modelleert, staat op de pagina Overstorten. Een doorlaat schematiseert u als een verbindingselement met een bepaalde doorstroomoppervlakte en een uitstroomverliescoëfficiënt.

Als de uitstroomverliescoëfficiënt niet eenvoudig te bepalen is, kunt u het best uitgaan van een coëfficiënt van 1, oftewel: alle kinetische energie gaat verloren in het uitstroomproces (een veilige aanname).

N.B. Met het oog op gevoeligheid voor verstoppingen mag een doorlaat geen te kleine diameter hebben (bij voorkeur > 200 mm).

Regelbare klep

De modellering van een regelbare klep komt aan de orde op de pagina Kleppen en afsluiters en de pagina RTC-sturingsregels.

Figuur B Typische Q-H-relatie van een wervelventielVergroot afbeelding
 

Wervelventiel

Wervelventielen hebben een specifieke Q-H-relatie, die de fabrikant levert. De Q-H-relatie heeft globaal de vorm zoals in figuur B. U schematiseert het wervelventiel als een verbindingselement met deze Q-H-relatie. In principe is de stroming altijd één kant op.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel