Maak in het bestek een heldere omschrijving van de toetsingswijze en -criteria. Definieer zeer precies hoe afrekening op de geleverde datakwaliteit plaatsvindt. Dit kan door specifieke validatie testen voor te schrijven waaraan de meetgegevens moeten voldoen. Meer informatie over deze datavalidatietesten vindt u in Meetgegevens verwerking en analyse.

Met validatietesten kunt u veelvoorkomende ‘kinderziekten’ voorkomen, zoals:

  • verkeerd ingegeven buisdiameter in software;
  • verkeerd ingesteld meetbereik (bijvoorbeeld 2 m in plaats van 4 m, of andersom);
  • verkeerd ingestelde/ingemeten sensorhoogte (onderkant sensor in plaats van maatstreep);
  • verkeerde locatie (benedenstrooms van de overstortmuur in plaats van bovenstrooms);
  • ondeugdelijke bevestiging (loshangende druksensoren);
  • verkeerde signaaloverdracht (cumulatief in plaats van momentaan, of andersom);
  • onvoldoende vrije ruimte;
  • verloop van sensoren.

De opleveringscontrole van de apparatuur is op te delen in een fysieke controle van de werking van de apparatuur en controle van de datatransmissie. Definieer vooraf een opleveringsprotocol. Dan weet de leverancier waar hij aan toe is en kan hij zich voorbereiden. Belangrijk onderdeel van de oplevering is kalibratie van de meetapparatuur.

Overigens wordt vaak ten onrechte de term kalibratie voor de werkzaamheden op locatie om het meetbereik in te stellen. Hierbij gaat het om wezenlijk andere zaken. Kalibratie is het inregelen van het uitgangssignaal van de sensor aan een onafhankelijke, parallel uitgevoerde meting. Het instellen van het meetbereik is niet meer dan een softwarematige instelling.

Debietmeters

Kalibratie van debietmeters kan zowel droog als nat.

Een droge kalibratie is eigenlijk niet meer dan een tussencontrole. Hierbij wordt de meter elektrotechnisch doorgemeten met een weerstands- of geleidbaarheidsmeting tussen de elektroden. Ook worden de onderdelen van de meter gecontroleerd. De weerstandsmeting geeft een goede indicatie van de mogelijke vervuiling van de sensor. De meting moet bij de inbouw en bij elke kalibratie uitgevoerd worden en de meetresultaten moeten in een kalibratierapport staan. Blijkt bij een droge kalibratie dat de meetfout groter is dan 5%? Dan is er voldoende reden de debietmeter in ingebouwde toestand nat te kalibreren.

Een droge kalibratie zegt overigens niets over een eventuele diameterverkleining aan de binnenkant van de meetbuis door vuilaangroei. Diameterverkleining levert een hogere doorstroomsnelheid op, waardoor de debietmeter een te hoog debiet meet. Aan de andere kant kan een geleidende aankoeking ook leiden tot meetfouten waardoor een te lage stroomsnelheid wordt gemeten. De vuilaangroei is sterk afhankelijk van de aard van het afwater en de doorstroomsnelheid. Reinig deleiding daarom regelmatig bij (waarschijnlijke) aangroei aan de binnenkant van de meetbuis.

Bij natte kalibratie wordt een nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de meter geleid, bijvoorbeeld met behulp van een ijkwagen. Of wordt tijdelijk een tweede meetsysteem (moeder meter) in serie geplaatst met de geïnstalleerde meter.

Bij de installatie van debietmeters in vrijvervalriolen kalibreert de installateur meestal in situ. Hierbij meet hij voor het momentane debiet gedurende enkele minuten de snelheid op verschillende hoogten in de buis. Met deze in-situmeting ‘finetunet’ de installateur het standaardsnelheidsprofiel van een buis met gegeven afmetingen. Hiervoor is een goed toegankelijke put of een putbuis nodig. Bovendien moet het meettoestel boven de bovenkant van de buis te monteren zijn, op een locatie waar het snelheidsprofiel representatief is voor de stroming in de buis.

Het uit- en weer inbouwen van een debietmeter voor kalibratie kan tot de nodige problemen leiden. Praktisch gezien zijn vaak vrij grote inspanningen nodig, zoals gebruik van hijsgereedschap, plaatsen van afsluiters etc. Een meetschoentje moet precies op de juiste positie worden teruggeplaatst. Anders ontstaat een nieuwe meetfout.

Het is gebruikelijk debietmeters na oplevering minimaal eens in de vijf jaar in ingebouwde toestand nat te kalibreren en één keer per jaar droog.

Om het debiet in de praktijksituatie snel te controleren, kan de snelheid en het waterniveau handmatig worden meten. De snelheid kan hij schatten met een Ott-molentje of door bijvoorbeeld een drijvend voorwerp in de put te gooien en de tijd op te meten tot de passage bij een volgende put. Het gemeten debiet hoort in de buurt te liggen van het uit de snelheid en vullingsgraad afgeleide debiet.

Neerslagmeters

Eén enkele (statische) kalibratieproef volstaat om het volledige ijkingsverband van een willekeurige kantelbakneerslagmeter te schatten. Dit impliceert wel een afzonderlijke (empirische) formule per neerslagmeter. Een voorbeeld van een kalibratieprocedure vindt u in Vereenvoudigde methode om neerslagmetingen van kantelbakpluviografen te corrigeren (Luyckx, G. en Berlamont, J. (2001), Vereenvoudigde methode om neerslagmetingen van kantelbakpluviografen te corrigeren, Rioleringswetenschap jaargang 1, nr. 4, december 2001).

Voor de controle van een neerslagmeter in de praktijksituatie kunt U een maatbeker met druppel - kraantje gebruiken. Hierbij plaatst hij de maatbeker horizontaal op de neerslagmeter, waarna hij het kraantje opent. De hoeveelheid water die in de neerslagmeter is gedruppeld, moet overeenkomen met de gemeten hoeveelheid.
 

Figuur A Controleren werking neerslagmeter Vergroot afbeelding

   

.Vergroot afbeelding

 

Niveaumeters

Voor de controle van een niveaumeter in de praktijksituatie kunt U misschien (voor zover praktisch haalbaar) een gevulde maatbeker over de sensor schuiven. Is dit niet mogelijk, dan moet de put vol water worden gezet (verbindingen afsluiten, water opstuwen met een balg en gemaal uitzetten) of de niveaumeter uit de put halen.

Loggers en transmissie

Vrijwel alle meetapparatuur werkt in combinatie met een softwareprogramma. Hierin staan de instellingen voor het omrekenen van de ruwe meetwaarden naar de gewenste parameterwaarden. Bijvoorbeeld van de dikte van de buiswand, het doorstroomprofiel, gemiddelde temperatuur van het afvalwater en referentiewaarden. Om de betrouwbaarheid van de meting te kunnen beoordelen, moet(en):

  • de instellingen toegankelijk zijn;
  • de achtergrond van de instellingen duidelijk zijn;
  • de instellingen desgewenst eenvoudig zijn te wijzigen.

De installateur kan de datatransmissie controleren door ter plekke de meetgegevens af te lezen op het display. Als het meetsysteem de meetgegevens centraal verzamelt, kan hij deze opvragen of op afstand uitlezen.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel