A Algemeen
Een infiltratieleiding is een ondergrondse voorziening om hemelwater te inflitreren. Het teveel aan hemelwater dat niet kan infiltreren en waarvoor geen bergingsruimte is, vloeit af naar oppervlaktewater of een laagte in het terrein. Infiltratieleidingen kunnen bij hogere grondwaterstanden ook als drainage functioneren.
 
De detaillering en aanleg van een infiltratieleiding hebben veel overeenkomsten met die van een standaardleiding (zie Gesloten leiding) en infiltratie-elementen (zie Infiltratie-element). Besteed bij de aanleg vooral ook aandacht aan het omringende grondlichaam.
 
Om de infiltratiebuizen zit (meestal) geotextiel om inspoeling van grond en zanddeeltjes tegen te gaan. Om te voorkomen dat het geotextiel verstopt raakt, moet u als voorzuivering een blad- en zandvang aanbrengen.
 
Varianten in uitvoering
Infiltratiebuizen zijn leverbaar in kunststof, beton en gres. Hoe doorlatend deze buizen zijn, hangt samen met de perforatie van de wand. Bij beton kunt u de buis ook met een poreuze wand uitvoeren. Er is dan sprake van een zeer open betonstructuur (vergelijkbaar met ZOAB bij wegen), waardoor het water kan uittreden. Dergelijke buizen krijgen in principe geen geotextiel-omhulling.
 
Probeer verdichting, versmering, verslemping en instroom van sediment zo veel mogelijk te voorkomen bij het ontgraven van de sleuf. Let ook op geotechnische mechanismen als afschuiving, opdrijving en horizontale vervorming.
 
Aanleg
Aandachtspunten:
  • Laat de sleufwand opruwen en de grond naast de sleuf doorspitten of omwoelen.
  • Zorg voor gelijktijdige ontgraving van de sleuf en realisatie van de voorziening, zodat het rijden langs de sleuf tot een minimum beperkt blijft.
  • Druk de grond voor de toplaag niet aan.
  • Verwijder tijdens het uitgraven scherpe voorwerpen, zoals brokken steen en beton, stukken ijzer en boomwortels.
  • Graaf de sleuf iets dieper uit dan de ontwerpdiepte en breng op de bodem een laag (drain)zand aan.

Let ook op de benodigde dekking op de buis, de grondwaterstand en de kruising met andere kabels en leidingen. In de praktijk leidt dit tot aanlegdiepten van de onderzijde van de buis van 1,20 tot 1,50 m onder het maaiveld en een diameter van gemiddeld rond de 300 tot 400 mm.
 
Infiltratieleidingen zijn gevoelig voor instroming van zand en ander sediment, waardoor de capaciteit terugloopt. Houd er bij de dimensionering rekening mee dat de bodem (1/3 van de buisomtrek) van de voorziening op termijn nauwelijks bijdraagt aan de infiltratiecapaciteit. Dit komt door dichtslibbing. Reiniging van de voorziening is lastig als het buisprofiel niet glad is. Besteed daarom extra aandacht aan de zand- en slibvang via straatkolken of andere voorzieningen. Voorzie infiltratieleidingen daarnaast van een overloop.
 
B Toepassing

C1.1 Mechanismen Inzameling, berging, infiltratie en transport van hemelwater
  Transport onder vrijverval
  Bezinking van zand, slib en vuil
C1.2 Neveneffecten  
C2.1 Geometrie Afmeting minimaal 250 mm
  Minimale dekking buis 1,10 m
  Bij voorkeur geen afschot in verband met maximale berging
  Strenglengte afhankelijk van inspectie- en reinigingsmethode 50 tot 100 m.
  Beperk bij diameters tot 400 mm de strenglengte tot 50 à 60 m
  Inlaten met standpijp voor eventuele kolk- en perceelaansluitingen
C2.2 Stabiliteit C2.2 Stabiliteit
  Fundering op staal met grondverbetering (zand)Fundering op staal met grondverbetering (zand)
C2.3 Voorziening Extra aandacht voor zand- en slibvang
C3.1 Techniek Prefabbuiselementen
  Buizen bij voorkeur prefab voorzien van geotextiel
  Aanleg in open sleuf met voldoende sleufbreedte (zie NPR 3218)
  Aanlegrichting bij afschot: van laag naar hoog, bij vlakke ligging geen voorkeur voor legrichting
  Bemaling in principe niet nodig
  Inzet graafmachine als hijskraan
C3.2 Procedure Testen van infiltratiecapaciteit wenselijk
C4.1 Beheer Inspectie eenmaal per jaar (zand, slib, bladeren en verontreiniging)
  Reinigingsfrequentie eenmaal per vijf jaar

Tabel A Reguliere toepassing infiltratieleidingen 
 

C1.1 Mechanismen Inzameling, berging, infiltratie en transport van verontreinigd hemelwater
C1.2 Neveneffecten  
C2.1 Geometrie Diameters groter dan 800 mm
C2.2 Stabiliteit  
C2.3 Voorziening  
C3.1 Techniek Afwatering tijdens bouwfase
  Beperking inzet zwaar materieel
C3.2 Procedure Toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden
  Sommige waterkwaliteitbeheerders stellen eisen aan de berging
(vaak groter dan of gelijk aan 4 mm)
C4.1 Beheer  

Tabel B Bijzondere toepassing infiltratieleidingen
 

C Aanbevelingen

Gebruik bij voorkeur non-woven doek als geotextiel, ondanks de grotere gevoeligheid voor wortelingroei. Een non-woven doek heeft een grotere zanddichtheid en een hogere infiltratiecapaciteit. Infiltratieleidingen zijn een soort ‘lekke’ hemelwaterafvoeren. Bij hevige neerslag kunnen ze wat ingespoeld zand transporteren. Daarom kan een weefsel hier wel in aanmerking komen. Worteldicht weefsel (anti-worteldoek) is nagenoeg waterdicht en daarom niet geschikt.

Breng rondom de leiding minimaal 30 cm drainagezand aan. Het geotextiel moet strak tegen de infiltratiebuis zitten en goed aansluiten rondom de aangebrachte inlaten. Daarmee voorkomt u dat zand in de voorziening komt of dat het geotextiel scheurt bij onvoldoende rekcapaciteit.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel