Indirecte lozingen (lozingen die via de riolering in oppervlaktewater terechtkomen, al dan niet via de rwzi) vallen onder de bevoegdheid van het Wm/Wabo-bestuursorgaan. De Waterwet regelt hier niets voor. Naast indirecte lozingen in de riolering zijn er nog andere soorten indirecte lozingen. Zoals een lozing van een bedrijf dat is aangesloten op de leiding van een ander bedrijf dat rechtstreeks loost in oppervlaktewater. Ook dit soort indirecte lozingen valt onder het Wm-/Wabo-bevoegde gezag.

Bevoegd gezag voor indirecte lozingen

De milieubepalingen in de Wabo en de hoofdstukken 8 en 10 van de Wm zijn volledig van toepassing op indirecte lozingen. Bevoegd gezag voor indirecte lozingen zijn:

  • (als hoofdregel) Burgemeester en wethouders (B&W) voor lozingen vanuit Wm/Wabo-inrichtingen, op grond van hoofdstuk 8 Wm en de Wabo;
  • B&W voor lozingen anders dan vanuit inrichtingen, op grond van hoofdstuk 10 Wm;
  • Gedeputeerde staten (GS) voor lozingen vanuit de inrichtingen die zijn aangewezen op basis van artikel 3.3 lid 1 Besluit Omgevingsrecht (Bor) in Bijlage I, onderdeel C van het Bor (waaronder IPPC- en BRZO-inrichtingen);
  • de minister van Infrastructuur en Waterstaat voor lozingen vanuit inrichtingen die zijn aangewezen op grond van artikel 3.3 lid 2 Bor in bijlage I, onderdeel C, categorie 29 (hoofdzakelijk 'militaire inrichtingen').

N.B. Wie op grond van de Wabo bevoegd gezag is, hangt af van de activiteiten waarvoor een bedrijf een omgevingsvergunning aanvraagt. Meestal zijn B&W bevoegd gezag, bijvoorbeeld als het alleen gaat om een vergunningplichtige bouwactiviteit. Maar als de minister toestemming moet geven voor een van de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, is de minister ook het bevoegd gezag voor de andere activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft, en dus niet B&W.

Adviesrecht waterbeheerder bij indirecte lozingen

Waterschappen en Rijkswaterstaat (de waterbeheerders in de zin van de Waterwet) hebben op grond van de Wabo een adviesrecht bij de vergunningverlening voor indirecte lozingen. Dat advies kan ook betrekking hebben op de aan de vergunning te verbinden voorschriften of op de vraag of het bevoegd gezag de vergunning al dan niet moet weigeren. Het kan zijn dat de waterbeheerder in zijn advies constateert dat de indirecte lozing de doelmatige werking van de rwzi belemmert of milieukwaliteitseisen voor het oppervlaktewater overschrijdt. Dan kan hij daarbij vermelden dat dit onderdeel van zijn advies bindend is. Als de genoemde belemmering of overschrijding via vergunningvoorschriften niet te vermijden is, moet de gemeente de vergunning weigeren. In andere gevallen kan het Wabo-bevoegd gezag van het advies van de waterbeheerder afwijken, maar dan alleen als het dat goed motiveert.
 
N.B. Het gaat hier om een adviesrecht en niet om een adviesplicht. Met andere woorden, als een waterbeheerder niet of veel te laat adviseert, kan de gemeente haar besluit gewoon nemen. Het adviesrecht geldt voor elke omgevingsvergunning die een indirecte lozing regelt. Ook kunnen waterschappen en Rijkswaterstaat een verzoek tot handhaving van dergelijke vergunningen doen, dat in dezelfde gevallen bindend is.

Heeft u suggesties? Laat het ons weten!

Stuur uw suggestie.
Vorige artikel Volgende artikel