In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) geeft de gemeente aan hoe zij haar zorgplichten voor stedelijk afval-, hemel- en grondwater invult en welk afwegingskader zij daarbij gebruikt. Hoewel de gemeente hierbij een zekere beleidsvrijheid heeft, moet zij bij de voorbereiding van het GRP wel de provincie en de waterbeheerder betrekken (art. 4.23 Wm). Alleen dan kan zij het GRP goed afstemmen met het regionale waterplan van de provincie en het waterbeheerplan van het waterschap (en soms ook van Rijkswaterstaat). In de praktijk is de rol van de provincie overigens zeer beperkt. Nb: onder de Omgevingswet is er ook formeel geen rol meer voor provincies bij de gemeentelijke watertaken.

Wat moet minimaal in het GRP staan?

  • In het GRP legt de gemeente vast welke maatregelen zij doelmatig acht en van plan is te nemen om nadelige gevolgen van de grondwaterstand zoveel mogelijk te voorkomen of beperken, inclusief de financiële gevolgen hiervan (zie art. 4.22 Wm). Met dat laatste maakt de gemeente meteen duidelijk wat zij allemaal voor de bewoners en bedrijven doet. Hieruit volgt dan dus ook wat de gemeente niet doet.
  • In het GRP moet ook duidelijk staan wanneer sprake is van structurele grondwaterstandproblemen, zodat particulieren weten in welke omstandigheden zij maatregelen van de gemeente mogen verwachten (zie ook Afbakening zorgplicht en structurele problemen).

Ontwateringsdiepte vastleggen in GRP?

Over het al dan niet vaststellen van ontwateringsdiepten denken gemeenten verschillend. Het vaststellen van een ontwateringsdiepte geeft richting maar kan door gecreëerde verwachtingen (en eventueel onbedoelde toezeggingen) ook een keurslijf worden, zeker omdat de grondwaterstand in stedelijk gebied lastig te reguleren is.

Voorbeeld Den Haag

Sommige gemeenten (zoals Den Haag) houden als richtlijn bij woningen een ontwateringsdiepte van 0,7 meter beneden maaiveld aan. Concreet betekent dit dat zolang die grens niet in beeld komt, er geen sprake is van structurele grondwateroverlast. Door die richtlijn te hanteren wordt zoveel mogelijk voorkomen dat percelen te nat worden en dat grondwater in kruipruimtes kan komen. Dat bewoners met diepe kelders van 'structurele grondwateroverlast' spreken is op zichzelf begrijpelijk, zij ervaren het ook als grondwateroverlast. Maar dat betekent niet dat de gemeente in strijd handelt met de grondwaterzorgplicht door hier geen maatregelen te nemen. Zolang de grondwaterstand zich structureel onder de 0,7 meter beneden maaiveld beweegt, is er van grondwateroverlast zoals bedoeld in de Waterwet geen sprake.

Voorbeeld Amsterdam

In Amsterdam is sprake van structurele grondwateroverlast als de grondwaterstand gemiddeld vaker dan één keer per twee jaar en langer dan vijf dagen achtereen hoger is dan 0,5 meter beneden maaiveld. Deze norm gaat uit van bouwen zonder kruipruimtes. Bij bouwen met kruipruimtes hanteert Amsterdam een grondwaterstand van 0,9 meter beneden maaiveld.1 Als het vloerpeil van de kruipruimte meer dan 0,6 meter beneden maaiveld ligt, past zij de norm voor de grondwaterstand overeenkomstig aan. Uitgangspunt is dat de kruipruimtes in principe droog blijven. Een en ander is terug te vinden in het GRP 2015-2020 van Amsterdam.


1 De vereiste grondwaterstand van 0,9 m beneden maaiveld bij kruipruimtes is opgebouwd uit een vloerpeil van 0,1 m boven maaiveld, een 0,2 m dikke beganegrondvloer, een 0,5 m hoge kruipruimte en 0,3 m voor capillaire opstijging.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel