Bij de voorbereiding op de aanleg van riolering moet u er rekening mee houden dat op het traject bodemverontreinigingen kunnen voorkomen. Als tijdens de werkzaamheden blijkt dat de bodem verontreinigd is, kan de aanleg aanzienlijke vertraging oplopen en tot veel hogere kosten leiden. Stel dus vóór de aanleg van riolering de bodemkwaliteit op het traject vast om verrassingen te voorkomen. 

Meldingsplicht

Artikel 28 Wet bodembescherming (Wbb) bepaalt dat degene die handelingen wil verrichten waardoor de bodemverontreiniging vermindert of verplaatst, dit moet melden aan het bevoegd gezag. Dit is Gedeputeerde Staten (GS) van de betrokken provincie of een van de 29 aangewezen gemeenten (artikel 88 Wbb en het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wbb, zie tabel A). Om erachter te komen of de bodem op een gepland traject verontreinigd is, kunt u bijvoorbeeld de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart raadplegen.
 

Alkmaar
Almelo
Amersfoort
Amsterdam
Arnhem
Breda
Den Bosch
Den Haag
Deventer
Dordrecht
Eindhoven
Emmen
Enschede
Groningen
Haarlem
Heerlen
Helmond
Hengelo
Leeuwarden
Leiden
Maastricht
Nijmegen
Rotterdam
Schiedam
Tilburg
Utrecht
Venlo
Zaanstad
Zwolle
 

Tabel A De 29 aangewezen gemeenten die bevoegd gezag zijn voor bodemsaneringen

Uitzonderingen voor niet-ernstige verontreiniging

Op grond van artikel 28, lid 5 Wbb is een melding niet nodig als de handeling betrekking heeft op een niet-ernstige verontreiniging en als vaststaat dat:

  • de betreffende hoeveelheid verontreinigde grond niet méér bedraagt dan 50 m³ of de hoeveelheid verontreinigd grondwater niet méér is dan 1.000 m³; of
  • uit de aard van de handelingen voortvloeit dat de grond alleen tijdelijk wordt verplaatst en daarna wordt teruggebracht. Deze uitzondering is met name bij reparaties aan bestaande riolering van belang. Vaak wordt ook bij aanleg van riolering maar een deel van de grond teruggeplaatst.

Als tijdens het werk blijkt dat u niet langer aan de criteria kunt voldoen, moet u dit alsnog meteen melden.
 
In het Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering staan situaties waarin een melding niet verplicht is bij een niet-ernstige verontreiniging. Hier zijn de volgende van belang:

  • Gevallen waarin de overheid al in een ander kader (zoals bij de aanvraag van een omgevings- of watervergunning, of een melding als bedoeld in art. 8.41 Wm) informatie over de bodemkwaliteit heeft gekregen en op basis van een bodemonderzoek heeft vastgesteld dat geen sprake is van ernstige verontreiniging. De resultaten van dat bodemonderzoek moeten nog wel representatief zijn. Dat is niet het geval als het bodemonderzoek meer dan vijf jaar oud is.
  • Gevallen waarin grond of baggerspecie wordt toegepast, waarbij het bevoegd gezag naar aanleiding van een melding (als bedoeld in artikel 42 Besluit bodemkwaliteit) heeft vastgesteld dat geen sprake is van ernstige verontreiniging.
Type verontreinigde grond Melding Geen melding
Niet ernstig verontreinigde grond Ja, tenzij geen melding nodig is op grond van de criteria hiernaast. Niet meer dan 50 m3 grond of 1.000 m3 grondwater (art. 28, lid 5 Wbb).
Ernstig verontreinigde grond Altijd op grond van art. 28 Wbb.  

Tabel B Samenvatting meldingseisen bij graven in verontreinigde grond

De meldingsprocedure

Bij de melding van meldingsplichtige handelingen zijn de volgende gegevens noodzakelijk (art. 28, lid 2 Wbb):

  • de resultaten van het bodemkwaliteitsonderzoek, inclusief de resultaten van eventueel nader onderzoek;
  • het tijdstip waarop de handelingen beginnen;
  • bij ontrekking van verontreinigd grondwater: de bestemming van dat grondwater;
  • bij afgraving van verontreinigde bodem: de bestemming van de grond en of de verontreinigde grond wordt gereinigd of geïmmobiliseerd;
  • als de verontreinigde bodem niet (geheel of deels) wordt gereinigd: een beoordeling van de reinigbaarheid of de immobiliseerbaarheid van de verontreinigde grond.

Als de verstrekte gegevens onvoldoende zijn, krijgt de melder de kans de benodigde gegevens alsnog binnen een door Wbb-bevoegd gezag te bepalen termijn te verstrekken (art. 4:5 Awb). Daarbij kan het ook gaan om het alsnog verrichten van nader onderzoek, als de melder de resultaten van een dergelijk onderzoek nog niet heeft overlegd.
 
Gaat het om ernstige bodemverontreiniging, dan moet de melder ook de volgende gegevens verstrekken (art. 39, lid 1  Wbb):

  • de resultaten van een nader onderzoek;
  • de resultaten van een saneringsonderzoek;
  • een saneringsplan.

Gaat het om verplaatsing van een klein deel van de bodemverontreiniging, dan kan het Wbb-bevoegd gezag toestaan dat de melder alleen de resultaten van een nader onderzoek van het betrokken deel of een saneringsplan voor dat deel verstrekt. Op basis van de melding of een nader onderzoek stelt het bevoegd gezag in een beschikking vast of sprake is van ernstige verontreiniging (art. 29 Wbb). Deze beslissing wordt uiterlijk binnen vijftien weken na ontvangst van de melding genomen. De melder kan pas met de handelingen beginnen als hij advies aan Bodem+ heeft gevraagd (zie het kader hieronder) en de beschikking heeft gekregen. Als binnen die vijftien weken geen beschikking is gegeven en dus niet tijdig is beslist, kan de melder na het verstrijken van die termijn ook beginnen met de handelingen (art. 29, lid 4 Wbb).
 

Bodem+

Bodem+ biedt kennis over bodemsanering, -bescherming en -beheer voor een duurzaam gebruik van de bodem en de ondergrond. Daarnaast kunnen overheden bij Bodem+ terecht voor ondersteuning bij de uitvoering van financiële regelingen en de implementatie van nieuw beleid. Bodem+ werkt in opdracht van het ministerie van IenW, het IPO, de UvW en de VNG.

Verplicht advies Bodem+

Bij de aanleg van riolering moet de gemeente soms verontreinigde grond (laten) afgraven. Dan moet zij (of de uitvoerder) Bodem+ om advies vragen over de reinigbaarheid van de grond (art. 27 lid 2 Wbb). Bodem+ beoordeelt de reinigbaarheid van grond aan de hand van de ministeriële Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006. Hierin staan ook uitzonderingen op de verplichting tot een adviesaanvraag bij Bodem+ (art. 18). Een adviesaanvraag is bijvoorbeeld niet nodig als sprake is van:

  • verontreinigde grond waarop paragraaf 3 (beoordeling van de reinigbaarheid van verontreinigde grond) van toepassing is;
  • partijen verontreinigde grond als genoemd in paragraaf 4 (beoordeling van de reinigbaarheid van residu dat is vrijgekomen bij de procesmatige reiniging van partijen verontreinigde grond, waaruit naar verwachting niet-reinigbaar te storten residu zal ontstaan);
  • verontreinigde grond waarvan is gebleken dat zij evident niet-reinigbaar en niet-immobiliseerbaar is.

Verplicht certificaat voor bodemintermediairs

Voor het graven in verontreinigde bodem is een certificaat nodig. Er gelden specifieke kwaliteitseisen waaraan bodemintermediairs moeten voldoen. Deze eisen zijn ontwikkeld in het kader van het 'kwalibo'. De kwaliboregeling staat in het Besluit bodemkwaliteit. Kwalibo rekent tot de bodemintermediairs: "alle dienstverlening, besluitvorming en realisatie ten aanzien van preventieve en curatieve bodembeheeractiviteiten". Hierbij is geen onderscheid tussen intermediairs die voor het bedrijfsleven of voor de overheid werken. Bodemintermediairs mogen alleen werkzaamheden uitvoeren als zij daarvoor erkenning van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) hebben.
 
Bodem+ publiceert op haar website regelmatig lijsten van erkende personen en instellingen. Via deze lijsten kunnen opdrachtgevers en bevoegd gezag nagaan of zij met een erkende intermediair te maken hebben. Ook staan op deze website de specifieke kwaliteitseisen waaraan bodemintermediairs moeten voldoen.

Gevolgen van vastgestelde ernstige verontreiniging

Als GS of een van de aangewezen gemeenten (zie tabel A hierboven) tot de conclusie komen dat sprake is van een ernstige verontreiniging, kan dit gevolgen hebben voor de aanleg van de riolering of de al aangelegde riolering. Dit laatste komt voor als bijvoorbeeld bij de aanvulling van een sleuf waarin riolering is gelegd, méér dan 50 m³ verontreinigde grond overblijft. In dat geval moet het bevoegd gezag de gelegenheid krijgen aan de hand van de melding vast te stellen of sprake is van ernstige verontreiniging. Is dat zo, dan kan het zijn dat de gemeente de net aangelegde of bij onderhoudswerkzaamheden herstelde riolering moet (laten) verwijderen. Op grond van artikel 37 Wbb kan het bevoegd gezag bij de beschikking over de vaststelling van ernstige verontreiniging bepalen dat de gemeente de bodem ter plaatse moet saneren. Ook is niet onwaarschijnlijk dat zij eventueel afgegraven verontreinigde grond moet afvoeren (zie ook Verwijdering slib en Milieuhygiënische aspecten).

Wat te doen bij onverwachte bodemverontreiniging?

Als de uitvoerder tijdens de rioleringswerkzaamheden toch onverwacht op verontreinigde grond stuit, moet hij dit ook melden. Volgens artikel 27 Wbb moet degene die bij werkzaamheden op of in de bodem constateert dat de bodem is verontreinigd of aangetast, dit melden bij GS van de provincie of een van de aangewezen gemeenten waar de werkzaamheden plaatsvinden. Deze situatie doet zich vaak pas voor bij buitengebruikstelling van de riolering. Overigens is bij activiteiten met verontreinigde grond ook bijzondere aandacht nodig voor de arbeidsomstandigheden.

Alle betrokkenen hebben een meldingsplicht

Overigens heeft niet alleen degene die de handeling verricht een meldingsplicht. Ook degenen die bij de bewuste handeling betrokken zijn, hebben een meldingsplicht. Denk aan werknemers of onderaannemers. Maar zij kunnen volstaan met een melding aan de eerstverantwoordelijke (art. 27, lid 3). Vaak wordt bodemverontreiniging pas duidelijk als de gemeente riolering buiten gebruik stelt, bijvoorbeeld als in dat kader bodemonderzoek plaatsvindt. Soms constateert iemand ook al bodemverontreiniging in de gebruiksfase van de riolering. Bijvoorbeeld tijdens renovatiewerkzaamheden of als tijdens de exploitatie een leiding breekt. Ook dan hebben alle betrokkenen een meldingsplicht.

Besluit Uniforme Saneringen

Voor eenvoudige, gelijksoortige saneringen die in korte tijd af te ronden zijn, is er een landelijke uniforme regeling: het Besluit uniforme saneringen (BUS). Veel saneringen, ook bij riolering, kunnen onder het BUS vallen. In de bij het besluit behorende Regeling uniforme saneringen staan de categorieën (en vereisten) waarvoor het BUS van toepassing is. Dit zijn onder meer de categorieën: immobiel, mobiel en tijdelijk uitplaatsen. Als zij aan de vereisten voldoet, mag de gemeente zelf beslissen via welk spoor (saneringsplan of melding uniforme sanering) zij de sanering wil (laten) afhandelen.

Duur saneringswerkzaamheden

Het BUS en de regeling stellen geen maximale termijn aan de duur van de saneringswerkzaamheden. De werkzaamheden moeten "binnen een redelijke termijn" zijn afgerond. In de Handreiking uniforme saneringen staan de volgende richttermijnen:
  • a. categorie immobiel: circa zes maanden;
  • b. categorie mobiel, bij een:
    • grondsanering: circa één maand;
    • grondwatersanering: circa twaalf maanden;
  • c. categorie tijdelijk uitplaatsen: circa zes maanden;
  • d. categorie projectgebied De Kempen: circa zes maanden.
De richttermijn gaat in op het moment dat de feitelijke sanering begint.

Melding

Als de sanering onder een van de categorieën uit de Regeling uniforme saneringen valt, moet de gemeente (of de uitvoerder) op grond van artikel 28 Wbb juncto artikel 39b Wbb een melding doen aan het bevoegd gezag. Dit kan zowel schriftelijk als digitaal met het formulier 'Melding Uniforme Sanering'.

Bij het formulier moet de melder ook alle in het BUS vereiste documenten en onderzoeksrapporten voegen. Zo kan het bevoegd gezag beoordelen of de melding voldoet aan de eisen van het BUS. Op het formulier staat welke documenten en onderzoeksrapporten nodig zijn. De meldingsprocedure duurt vijf weken. De gemeente kan met de sanering beginnen nadat vijf weken zijn verstreken vanaf de datum van ontvangst van de melding door het bevoegd gezag (zie artikel 39b, lid 4, Wbb). Er kan ook een kortere termijn gelden, bijvoorbeeld voor zeer eenvoudige saneringen uit de categorie tijdelijk uitplaatsen van verontreinigde grond. De melding vervalt als de saneringswerkzaamheden niet binnen twaalf maanden na de ontvangst van de melding zijn begonnen.

Aanvang werkzaamheden melden

Vijf werkdagen voordat de feitelijke werkzaamheden starten, moet de gemeente (of de uitvoerder) dit melden aan het bevoegd gezag, met daarbij de datum en het tijdstip van aanvang van de werkzaamheden.

Wijzigingen melden

Afwijkingen van de melding Uniforme sanering zijn geen bezwaar, mits het bevoegd gezag er in wordt gekend en de sanering binnen de regels van het BUS en de bijbehorende regeling blijft. Deze wijzigingen moet de gemeente (of de uitvoerder) wel schriftelijk melden bij het bevoegd gezag (artikel 10 BUS).

Afronding werkzaamheden melden

Binnen twee weken nadat de saneringswerkzaamheden zijn afgerond, moet de gemeente (of de uitvoerder) dit schriftelijk melden aan het bevoegd gezag.

Evaluatieverslag

Na de sanering moet de gemeente (of de uitvoerder) binnen acht weken schriftelijk verslag doen aan het bevoegd gezag. Dit kan met het standaard evaluatieverslagformulier. Het bevoegd gezag heeft daarna acht weken de tijd om in te stemmen met het evaluatieverslag. Tegen dit besluit staan bezwaar en beroep open. Bij het tijdelijk uitplaatsen van verontreinigde grond zijn deze nazorgverplichtingen niet aan de orde. Voor deze categorie is geen beschikking op het evaluatieverslag nodig.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel