A Algemeen
Een gesloten leiding transporteert afval- en/of hemelwater. In figuur A ziet u dat een gesloten leiding bestaat uit een samenstel van buiselementen tussen twee (inspectie)putten. In de leiding kunnen zich inlaten met standpijpen bevinden voor perceel- en kolkaansluitingen.
 
 
Figuur A Gesloten leiding
 
Buiselementen zijn prefab leverbaar in veel doorsneden, materialen en uitvoeringen. Per materiaalsoort en zelfs per leverancier kunnen de leidingopbouw en de uitvoering van verbindingen verschillen. Meestal kiest u uit door leveranciers gedimensioneerde leidingen. Bij de detaillering van persleidingen, drukriolering, transportriolen en zinkers kunt u aanvullende expertise raadplegen. De complexiteit van een ontwerp neemt snel toe door de wisselwerking met specialistische aandachtsgebieden als werktuigbouw (werking pompen), vloeistof- en grondmechanica en funderingstechniek. Dit geldt bijvoorbeeld ook bij de toepassing van sleufloze technieken.
 
Aanleg
Voor het plaatsen van buizen is praktisch altijd een hijskraan (meestal een hydraulische graaf-machine) nodig. Dit vanwege het gewicht en de lengte van de buis en de plaats naast de sleuf. Laat de sleuf nauwkeurig op diepte afgraven om onnodige verzakkingen van putten en leidingen te voorkomen. Door de sleufbodem tot een bepaalde diepte los te woelen, krijgt u een goede opleghoek van de buis (uitgangspunt > 20° en < 60°). Gebruik bij minder draagkrachtige grond sloven of roosters en in het uiterste geval een paalfundering.
 
Bij de aanleg van afval- en hemelwaterleidingen is aandacht nodig voor de maatvoering. In het verticale vlak moet u een verhang aanbrengen in de orde van enkele millimeters per meter (1:100 = 10 mm per m, 1:500 = 2 mm per m). Houd ook in de hoofdrichting van de leiding rekening met speling in verbindingen. Bij een niet goed aangebrachte verbinding kan een speling van 10 mm per verbinding op een afstand van 50 m en 2m-buizen al snel oplopen tot circa 200 mm te veel of te weinig. Hierdoor komt de plaatsing van pasbuizen, de (inspectie)putten en de hierop aansluitende leidingen in het gedrang. De vereiste nauwkeurigheid bereikt u alleen met goede meetapparatuur en ervaren werklieden.
 
Vast meetpunt
Goede meetapparatuur alleen is geen waarborg voor een nauwkeurige maatvoering. Zo is de laser als waterpasinstrument een zeer nauwkeurig hulpmiddel. Maar let op waar u de laser in een put plaatst. Bij het aanbrengen van de eerste buis kan het instrument door trillingen verschuiven. Het gevolg is een onjuiste aflezing. Kies daarom een ander, vast punt waarop de werkzaamheden niet direct invloed hebben.
 
Controleer de leiding op waterdichtheid voordat de sleuf dichtgaat. Sluit hiervoor het bewuste leiding-deel af, vul het met water en test het met een overdruk van ten minste 3 kPA (0,3 m waterkolom).
 
Aanvulling sleuf
De aanvulling van de sleuf moet zorgvuldig gebeuren. De belastingen op de buis zijn voor een groot deel afhankelijk van de conditie van het grondpakket direct naast de buis. Goed verdichten is daarom erg belangrijk:
  • voor flexibele buizen (van kunststof of staal) om voldoende zijdelingse steundruk te ontvangen en daarmee de krachten van boven te kunnen opvangen;
  • voor starre buizen (gemaakt van beton, gres of gietijzer) om ongewenste extra krachten door zetting van het zijdelingse grondpakket te voorkomen.
Grondwaterbemaling
Vaak is grondwaterbemaling noodzakelijk. Zorg in dat geval dat u deze niet te vroeg beëindigt. Want bij beëindiging na gedeeltelijke aanvulling kunnen de buizen opdrijven.
 
Vul de ruimte naast de buis laagsgewijs (0,30 m) aan en verdicht deze mechanisch goed. Doe dit zo veel mogelijk gelijktijdig om verdraaiingen en zijwaartse verplaatsingen te voorkomen. Na aanvulling van de ruimte naast de buis mag u de sleuf niet volstorten met vrachtwagenladingen zand. Verspreid en verdicht de aanvulgrond laagsgewijs (0,50 m) met een graafmachine. Het gebied boven de buis is tot 0,90 m boven de kruin verboden gebied voor zware stamp- of trilapparaten. Houd bij de aanvulling rekening met eventuele standpijpen en uitleggers.
 
Functioneren
Bij de oplevering vindt voor het eerst een inspectie plaats van leidingen en putten. Deze is nodig om de beginkwaliteit vast te stellen. Functioneert een leiding onvoldoende, dan heeft dat direct gevolgen voor het functioneren van het stelsel als geheel. Bijvoorbeeld als:
De buiswand en verbindingen niet waterdicht zijn. De verbindingen zijn vooral bij de aanleg kwetsbaar. In de gebruiksfase kunnen hoekverdraaiingen de waterdichtheid aantasten door zetting.
  • De fundering van de inspectieput te stijf is ten opzichte van de fundering van de aansluitende riolen. Daardoor kunnen ze bij zetting afbreken door afschuiving. Hiervoor geldt een algemeen principe dat u de lengte van de buizen moet afstemmen op de te verwachten zettingen. In de praktijk wordt bij toepassing van betonnen buizen vanaf de put veelal een meterse buis gelegd, gevolgd door buizen met een grotere lengte. In zeer zettingsgevoelige gebieden bestaat de mogelijkheid dat dit nog niet voldoen is om ongelijkmatige zettingen te kunnen opvangen.
  • Slib en vuil zich ophopen door onvoldoende afstroming.
  • Aantasting van de buiswand (binnen én buiten) optreedt. Vooral op plaatsen waar zuurstof uit het afvalwater verdwijnt, bestaat de kans op aantasting van de buiswand (zie ook Inspectieput).
  • De leiding bezwijkt door een te grote bovenbelasting (zwaar verkeer).
  • De leiding zakt en bezwijkt, eventueel door een ongelijkmatige fundering. Dit kan het gevolg zijn van het op hoogte brengen en waterpas stellen met klossen en tegels.
  • De leiding bestaat uit tijdens de aanleg beschadigde buizen.

B Toepassing

C1.1 Mechanismen Inzameling en transport van afval- en hemelwater
  Transport onder vrijverval
  Geen bezinking van slib of vuil
  Geen ontluchting
C1.2 Neveneffecten  
C2.1 Geometrie Doorstroomprofiel rond
  Afmeting minimaal 250 mm
  Minimale dekking leiding 1,10 m
  Afschot variërend van 1:800 tot 1:200 (1:1.000 is nagenoeg vlak)
  Strenglengte afhankelijk van inspectie- en reinigingsmethode 50 m tot 100 m.
  Bij diameters tot 400 mm strenglengte beperken tot 50 à 60 m
  Inlaten met standpijp voor eventuele perceel- en kolkaansluitingen
C2.2 Stabiliteit Materiaal beton of PVC
  Fundering op staal met grondverbetering
C2.3 Voorziening  
C3.1 Techniek Prefabbuiselementen
  Mof-spieverbinding met rubberafdichting
  Aanleg in open sleuf met voldoende sleufbreedte (zie NPR 3218)
  Aanlegrichting van laag naar hoog
  Aanlegdiepte tot 4 m
  Maatvoering met laser
  Bemaling
  Inzet graafmachine als hijskraan
C3.2 Procedure Beproeving waterdichtheid
C4.1 Beheer Kleuridentificatie van riool (dwa: bruin; hwa: grijs)
  Reinigingsfrequentie eenmaal per vijf jaar

Tabel A Reguliere toepassing gesloten leiding
 

C1.1 Mechanismen Transport onder druk
C1.2 Neveneffecten Aantasting
C2.1 Geometrie Profiel anders dan rond
  Diameters groter dan 800 mm
C2.2 Stabiliteit Andere materialen dan beton en PVC
  Trekvaste verbindingen
  Coating of bekleding
  Fundering op sloven of roosters
  Fundering op palen of kespen
C2.3 Voorziening  
C3.1 Techniek Sleufloze aanlegtechnieken: doorpersingen of gestuurde boring
  Zinkers
  Beperking inzet zwaar materieel
C3.2 Procedure  
C4.1 Beheer  
   

Tabel B Bijzondere toepassing gesloten leiding

C Aanbevelingen
Op de tekentafel is het verhang van de verschillende leidingen vrij eenvoudig te bepalen. In de praktijk levert de aanleg van één leiding ook niet direct problemen op. Maar bij de aanleg van twee of meer leidingen (bij een (verbeterd) gescheiden stelsel) kunt u te maken krijgen met:

  • een ongelijke sleufbodem door ongelijke bob-leidingen;
  • een complexere maatvoering en uitvoering door leidingen met een tegengesteld verhang.

Probeer daarom de leidingen zo veel mogelijk op gelijke hoogte en met een gelijk gericht bodemverhang in een sleuf te projecteren. Daarbij is het verhang van een dwa-leiding maatgevend. De kruisingen kunt u realiseren door een (kleine) sprong in de bob. 

Een alternatief voor een stijve fundering op palen is een evenwichtsconstructie. Dit betekent dat het gewicht van de buis met aanvulgrond ongeveer gelijk is aan het gewicht van de uitkomende grond. Hierdoor is de ondergrond niet aan extra zetting onderhevig. Verkeersbelastingen kunnen zich dan beter spreiden dan bij de kattenrug, die juist extra belasting aantrekt. Met een groter verhang garandeert u de afstroming.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel