Eenvoudige aanpak

Voor een vereenvoudigd rioleringsmodel hoeft u alleen de geïnstalleerde hydraulische gemaalcapaciteit te achterhalen bij de beheerder. Voor een Rioleringsmodel voor reeks- en gebeurtenisberekeningen volstaat de geïnstalleerde hydraulische gemaalcapaciteit meestal ook en gebruikt u een virtuele gemaalkelder die zo groot is gekozen dat de modelberekening stabiel blijft. De geinstalleerde gemaalcapaciteit kunt u opvragen bij de beheerder of afleiden uit ontwerpdocumenten.

Q-H-karakteristiek nodig

De eenvoudige aanpak volstaat niet in (onder meer) de volgende gevallen:

  • een grote schakelberging (> 0,2 mm berging);
  • een grote variatie in verpompt debiet door regelingen, inzet van verschillende pompen (dwa, hwa, overstortbemaling) of door variabel verschil tussen voordruk (in rioolstelsel) en persdruk (ontvangend rioolstelsel of persleiding ).

In deze gevallen moet u de Q-H-karakteristiek voor het gemaal (dus welk debiet wordt geleverd bij welke vullingsgraad) – eventueel gecorrigeerd voor tegendruk – in het rekenmodel gebruiken. Deze Q-H-relatie hoort bij de beheerder bekend te zijn, maar is ook af te leiden uit metingen bij het gemaal. Hiervoor is wel een dataset nodig met ten minste tien grote en kleine buien, om te kunnen afleiden of het gedrag van het gemaal constant is of afhankelijk is van omstandigheden.

Berekening met persleidingmodel: meer details

Voor een berekening met een model voor mechanische riolering moet u veel meer detailgegevens hebben van het gemaal, tot op het niveau van de individuele pompen en dan per pomp de kenmerken, zoals pomptype, waaiertype en toerental. Deze gegevens staan vaak in een gemalenbeheersysteem, telemetriesysteem of SCADA-systeem, of moet u herleiden uit ontwerp- en revisiegegevens.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel