De financiële gevolgen op de rwzi kunnen worden onderverdeeld in operationele kosten en benodigde investeringen. De operationele kosten hangen zeer beperkt samen met de hydraulische belasting van de rwzi, aangezien het grootste deel van de operationele kosten samenhangt met het energieverbruik voor beluchting en slibverwerking en deze beiden niet worden beïnvloed door de hydraulische belasting. De besparing in operationele kosten voor een specifieke rwzi door een reductie van de hydraulische belasting volgt uit de onderverdeling van de operationele kosten naar de aard van deze kosten.

De gevolgen voor de investeringen werken op meerdere manieren door en kunnen zeer groot zijn. Voor de uitwerking van de invloed van maatregelen in het riool op de hydraulische belasting voor in Nederland gangbare zuiveringsconcepten wordt verwezen naar de bijlage.


Figuur A Kosten voor zuivering als functie van aangevoerd debiet (data 2012)

In figuur A is het energieverbruik met uitzondering van beluchting5 uitgezet tegen het behandelde jaarvolume. Hieruit valt op te maken dat er een vrij sterke relatie is tussen het aangevoerde volume en het E-verbruik voor alle overige onderdelen behalve de beluchting. Dit betekent dat voor een eerste inschatting van de energiebesparing van maatregelen die het influentdebiet beïnvloeden, gebruik kan worden gemaakt van de beschikbare benchmarkdata, met 0,15 kWh/m3 als kental.


Figuur B E-verbruik overig als functie van aangevoerd debiet (data 2012)

De gemiddelde totale kosten voor behandeling van afvalwater liggen op basis van de getallen uit de Benchmark zuivering 2012 op ongeveer EUR 0,35 per behandelde m3. Aangezien een groot deel van deze kosten vaste (kapitaal) lasten zijn en daarnaast een groot deel samenhangt met beluchting en slibverwerking, is slechts een beperkt aandeel van deze EUR 0,35 per behandelde m3 te beïnvloeden door een afname van het influentvolume. De marginale kosten, ofwel de echte besparing die bereikt kan worden met een reductie van de hoeveelheid influent, hangen voornamelijk samen met het energieverbruik exclusief debeluchtingsenergie. De directe marginale kosten bedragen bij een energieverbruik exclusief beluchting ongeveer 0,15 kWh/m3 en uitgaand van EUR 0,10/kWh6 slechts EUR 0,015 per m3. Naast de directe besparingen zijn, afhankelijk van het werkpunt, ook andere besparingen mogelijk in de operationele kosten. Zo kan een verlaging van de hydraulische belasting bij een volbelaste RWZI zorgen voor ruimte om de SVI (slibvolume index) op te laten lopen zonder dat uitspoeling van de nabezinktanks dreigt. Dit betekent dat minder aluminiumzouten gedoseerd hoeven te worden om de SVI te beheersen, hetgeen uiteindelijk een kostenbesparing op kan leveren.

Besparing op investeringen

De benodigde hydraulische capaciteit heeft een directe relatie met het benodigde investeringsniveau, waarbij bij volledige afwezigheid van rwa en rioolvreemd water een besparing van 50% haalbaar is. Daarnaast werkt de benodigde hydraulische capaciteit en de verhouding rwa/dwa door op de keuze van het zuiveringsconcept. Meer geavanceerde zuiveringsconcepten, zoals MBR en NEREDA, worden relatief gunstiger bij een lagere rwa/dwa verhouding. Bij een hoge rwa/dwa verhouding uit kostenoogpunt vaak een regenwaterlijn geïntroduceerd (gangbaar in Limburg, in Vlaanderen en een aantal grotere zuiveringen zoals Apeldoorn en Eindhoven). Een indirect effect van een lagere benodigde hydraulische capaciteit is de vrijheid die de klaar-meester krijgt om bijvoorbeeld het slibgehalte te verhogen en daarmee de effluentkwaliteit te verbeteren hetgeen mogelijk investeringen in bijvoorbeeld nabehandeling met zandfilters kan voorkomen. De mate waarin deze voordelen kunnen optreden wordt bepaald door het huidige werkpunt van de rwzi (is deze 80 % of 100 % hydraulisch belast), het beleid van het waterschap (bouwen als benodigde capaciteit binnen planperiode 1 m3/h boven huidige capaciteit komt of pas bouwen als deze daar ruim (5 %-10 %) boven komt) en de wijze van beoordelen van de prestatie van de rwzi. Dit laatste aspect is vooral interessant, aangezien veel waterkwaliteitsbeheerders werken met een acceptabele jaarbelasting (bijvoorbeeld ton P/jaar) en dit door-vertalen naar eeneffluent norm in mg P/l. De zuiveringsbeheerder krijgt een vergunning met mg P/l en heeft dit als doelstelling voor de bedrijfsvoering. Daarom denkt hij in termen van mg P/l en vergeet dat het doel ook kan worden bereikt door de hydraulische belasting te verlagen. Er valt ook winst te behalen door de norm in mg P/l te laten variëren door het jaar heen. Een andere visie hierop vraagt om een beleidswijziging die een beoordeling in termen van vrachten toestaat.

Overige effecten

De neveneffecten van een reductie van de hydraulische belasting bestaan uit een afname van het energieverbruik voor zover gerelateerd aan hydraulica. Dit energieverbruik is al in beeld bij het bepalen van de voordelen in de operationele kosten. Daarnaast leidt een reductie van de hoeveelheid rioolvreemd water tot dikker afvalwater, waardoor bij aanwezigheid van persleidingen het risico bestaat op:
  • extra aanrotting in de persleiding, waar de verblijftijd verdubbelt en de bzv-concentratie ook. Dit is in principe gunstig voor een rwzi met bio-P verwijdering, maar hogere H2S gehaltes leveren ook in de ontvangstkelder extra risico’s op;
  • hogere piekbelasting van de rwzi. De vuilvracht in een persleiding kan tijdens dwa verdubbelen ten opzichte van nu. Zolang tijdens buien nog wel de volledige rwa capaciteit wordt ingezet, leidt dit tot een verdubbeling van de piekvrachten naar de rwzi tijdens het begin van een bui. Een van de risico’s daarvan is dat de piekfactor voor de beluchting onvoldoende blijkt te zijn met als gevolg een forse afname van het zuiveringsrendement. Daarnaast kan biologische overbelasting optreden, met als gevolg daarvan denitrificatie in de nabezinktanks en als gevolg daarvan grootschalige slibuitspoeling.7

5 In figuur aangeduid als E-verbruik overig is berekend door het E-verbruik voor de beluchting af te trekken van het totale verbruik; hierbij dient wel opgemerkt te worden dat er verschillen bestaan tussen wat is opgenomen in E-verbruik beluchting, op sommige zuiveringen zit hierin ook het verbruik van voortstuwers, en recirculatiepompen in. 
6 NB: voor gemeentes is uitgegaan van EUR 0,20/kWh. Voor waterschappen zijn de kosten lager vanwege speciale afspraken met de energieleveranciers
7 Langeveld, J.G. Schilperoort, R.P.S. and Weijers, S.R. (2013). Climate change and urban wastewater infrastructure: there is more to explore. Journal of Hydrology 476 (2013) 112–119, http://dx.doi.org/10.1016/j.jhydrol.2012.10.021.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel