Wet milieubeheer (Wm)

De Wm geeft de basis voor het reguleren van lozingen in de riolering, oftewel indirecte lozingen1 (art. 10.29a e.v. Wm, voor inrichtingen hoofdstuk 8 Wm). Centraal hierin staat de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater via een openbaar vuilwaterriool en het transport ervan naar een zuiveringstechnisch werk (art. 10.33, lid 1 Wm). In plaats van een openbaar vuilwaterriool kan de gemeente ook afzonderlijke of andere passende systemen (zoals IBA’s) gebruiken, als zij daarmee eenzelfde graad van milieubescherming bereikt. Meer informatie vindt u op de pagina Wettelijke noodzaak riolering.
 
Zijn de inzameling en het transport van afvalwater niet doelmatig, dan kan de gemeente van de provincie een ontheffing van de zorgplicht krijgen voor gebieden buiten de bebouwde kom. Hoe zij de afvalwaterzorgplicht invult, staat in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP, art. 4.22 e.v. Wm). Meer informatie vindt u op de pagina Wettelijke zorgplichten.

Lozingen: algemene regels, soms vergunning

De lozingsregels voor afvalwater (inclusief hemel- en grondwater) staan in drie AMvB’s: het Activiteitenbesluit milieubeheer (kortweg Activiteitenbesluit), het Besluit lozing afvalwater huishoudens (Blah) en het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi). In het Activiteitenbesluit staan ook de regels voor lozingen vanuit landbouwactiviteiten. De AMvB's geven regels voor de verschillende lozingsroutes: lozingen in oppervlaktewater, in de bodem en in het rioolstelsel. Door deze algemene regels is voor de verschillende lozingen meestal geen vergunning of ontheffing meer nodig. Een melding is vaak voldoende, soms geldt zelfs geen enkele juridische verplichting meer. Wel kan het bevoegd gezag in uitzonderlijke situaties aanvullende maatwerkvoorschriften stellen (extra individuele eisen boven op de geldende AMvB-eisen).
 
De meeste lozingen worden dus geregeld met algemene regels. Maar voor zeer risicovolle lozingen (dit geldt in elk geval voor lozingen uit IPPC-installaties2) blijft een voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag noodzakelijk in de vorm van een vergunning. Afhankelijk van de lozingsroute is dat de watervergunning (op grond van de Waterwet) of de omgevingsvergunning (op grond van de Wabo).

Bij de lozingen die onder algemene regels vallen, bepaalt de lozingsbron welk besluit van toepassing is:
  • Wm-inrichtingen: Activiteitenbesluit milieubeheer (ook lozingen vanuit de landbouw).
  • Huishoudens: Besluit lozing afvalwater huishoudens (Blah) voor lozingen vanuit huishoudens.
  • Overige bronnen/openbare ruimte: Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi), voor alle lozingen die niet vallen onder een van de hiervoor genoemde categorieën. Dit besluit bevat onder meer regels voor overstortingen en de afspoeling van wegen. Maar ook het werk van de gevelreiniger of glazenwasser valt onder dit lozingsbesluit.

Voorkeursvolgorde afvalwater

Vanuit milieuhygiënisch oogpunt krijgen sommige manieren van omgaan met afvalwater uitdrukkelijk de voorkeur boven andere. Met deze in art. 10.29a Wm vastgelegde voorkeursvolgorde moet de gemeente (en ook waterbeheerders, zoals het waterschap) rekening houden (zonder harde verplichting). De gemeente kan in een verordening regels stellen aan het lozen van afvloeiend hemelwater en grondwater (geregeld in artikel 10.32a van de Wm).

Provinciale milieuverordening (PMV)

De Wm biedt de basis voor de PMV, die in veel provincies onderdeel is van de omgevingsverordening. De PMV regelt bijvoorbeeld wat wel en niet mag in een milieubeschermingsgebied. Milieubeschermingsgebieden zijn vaak onderverdeeld in categorieën met elk een eigen beschermingsniveau. Beschermingszones voor grondwater zijn bijvoorbeeld waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones (onder meer van belang bij bodemenergiesystemen).

Voor Wm-inrichtingen staan specifieke bepalingen in de PMV, waaronder instructieregels. Bij het opstellen van een omgevingsvergunning (op grond van de Wabo, zie hieronder) voor (kort gezegd) het oprichten of wijzigen van een Wm-inrichting, moet het bevoegd gezag deze instructieregels in acht nemen. Voor activiteiten die buiten een inrichting plaatsvinden, bevat de PMV directe verbodsbepalingen. Voorbeelden zijn verboden voor het gebruik, vervoer of in de bodem brengen van bepaalde schadelijke stoffen en een verbod om dieper dan drie meter beneden het maaiveld werken uit te voeren. Van deze verboden kan Gedeputeerde Staten in bepaalde situaties ontheffing verlenen. Of deze mogelijkheid bestaat, blijkt uit de PMV.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

De Wabo bevat een geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, ruimte, natuur en milieu. Vóór de Wabo bestonden nog afzonderlijke vergunningen op grond van bijvoorbeeld de Wm of de bouw-, sloop- of kapverordening. De procedurele integratiewet Wabo regelt dat voor al deze typen activiteiten alleen een omgevingsvergunning nodig is. Er is één bevoegd gezag. Na het doorlopen van één procedure volgt één besluit, waarop zo nodig één rechtsbeschermingsprocedure volgt.
 
De initiatiefnemer/aanvrager kan de omgevingsvergunning schriftelijk aanvragen, maar ook online bij het Omgevingsloket online (OLO). Ook de watervergunning is via dit loket aan te vragen. Daarnaast kunnen hier meldingen worden gedaan voor activiteiten in het watersysteem, zoals lozingen in oppervlaktewater. Via elke overheidswebsite is het OLO toegankelijk.

Wet bodembescherming (Wbb)

De Wbb bevat regels voor de bescherming en sanering van de bodem (landbodem). Op grond van de Wbb heeft degene die bodemverontreiniging ontdekt of veroorzaakt een meldingsplicht. Bij de aanleg, vervanging of buitengebruikstelling van riolering kan bodemverontreiniging aan de orde zijn. De meldingsplicht voor verontreiniging of aantasting van de bodem heeft een relatie met de zorgplicht van artikel 13 Wbb. Deze zorgplicht houdt in dat degene die de bewuste handeling verricht, verplicht is alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem zijn te vergen om eventuele verontreiniging of aantasting te voorkomen.

______________________________________________________
1 Een indirecte lozing is een lozing die niet direct in oppervlaktewater uitkomt, maar wordt geloosd via een bedrijfsriolering of ander tussenliggend (zuiverings)werk van een derde.
2 IPPC staat voor integrated pollution prevention and control (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging). IPPC-inrichtingen zijn inrichtingen met een installatie die is opgenomen in bijlage I bij de Europese richtlijn industriële emissies. Voorbeelden daarvan zijn grote stookinstallaties, chemische industrie en afvalverbrandingsinstallaties. 

DO YOU HAVE SUGGESTIONS FOR THIS ITEM?

Send your suggestion
Previous article Next article