Bij de modelcontrole voorafgaand aan de simulatie (primaire validatie) toetst u de volgende onderdelen op juistheid:

  • de geometrie van de elementen;
  • de structuur van het systeem (samenhang van de elementen)
  • de hoogteligging
  • de belastingen die u gebruikt (dwa, neerslag en eventuele infiltratie en exfiltratie).

Geometrische gegevens

De geometrische gegevens zijn de gegevens waarmee u de afmetingen en de vorm van elementen in het model beschrijft, zoals diameters, lengten en oppervlakken van putten, overstorten, uitlaten. Extreme waarden hoeven niet per se fouten te zijn, maar een controle kan wel leiden naar invoerfouten. Mogelijke tests zijn:

  • De aanwezigheid van zeer lange leidingen, bijvoorbeeld > 100 m;
  • Leidingafmetingen (diameter, hoogte, breedte) > 2,5 m of < 0,2 m;
  • Putoppervlakken < 0,5 mof > 10 m2;
  • Leidinglengten die (veel) groter zijn dan de afstand tussen de twee door de leiding verbonden putten.

Structuur van het systeem

De structuur van een systeem is kort samengevat de samenhang van de afzonderlijke elementen. Deze kunt u op twee manieren testen:

  • De eenvoudigste manier is na te gaan of er geen losse (groepen van) elementen voorkomen. Zijn die er wel, dan ontbreekt wellicht een verbinding of is sprake van twee separate systemen in een berekening. (Dit is overigens goed mogelijk met losliggende infiltratievoorzieningen ; in dat geval is er geen sprake va een fout, maar moet men zich wel afvragen of deze elementen überhaupt in de berekening moeten worden opgenomen.)
  • U kunt ook nagaan of er geen onlogische verbindingen zijn. Dit doet u het snelst door een plot van het systeem te maken, onlogische verbindingen vallen vrijwel meteen op (zie figuur A).
Figuur A "Modeller's nightmare" (Bron: Harry van Mameren)Vergroot afbeelding

Hoogteligging

De hoogteligging van elementen en maaiveld kunt u op de volgende manieren globaal op juistheid testen:

  • Komen 'vreemde' waarden voor hoogteligging voor? Bijvoorbeeld maaiveld op -99  of 0 m, wat vaak als default (standaardwaarde) wordt gebruikt bij een onbekende hoogteligging.
  • In vlakke gebieden: komen maaiveldhoogten voor die meer dan een bepaald minimum (bijvoorbeeld 1 m) afwijken van de gemiddelde hoogteligging in het gebied?
  • Komen situaties voor waar een element (deels) boven het maaiveld ligt of dat de dekking (maaiveld-bob+afmeting) kleiner is dan een bepaald minimum (bijvoorbeeld 1 m)?
  • Komen situaties voor waar het verschil tussen de hoogteligging van een overstort of een uitlaat en het lokale maaiveld erg klein is (bijvoorbeeld kleiner dan 0,5 m)?
  • Is er sprake van een extreem groot afschot in leidingen (bijvoorbeeld een verval groter dan 0,5 m)?

Deze tests zitten vaak standaard in de software. Ze geven snel aanwijzingen waar fouten in de database zitten, die vaak betrekkelijk eenvoudig zijn op te lossen.

  • Bij infiltratievoorzieningen: check op verschil in hoogteligging tussen maaiveld en 'nooduitlaten', als dit verschil kleiner is dan bijvoorbeeld 0,2 m dan is dit aanleiding om de ingevoerde gegevens op juistheid te controleren.

Verloren berging

Een wat uitgebreider test voor de hoogteligging (met name voor vrijvervalrioolstelsels) is het testen op de aanwezigheid van verloren berging . Hiermee krijgt u zicht op locaties die door hun hoogteligging ten opzichte van de directe omgeving in het systeem nooit helemaal kunnen leeglopen. Dergelijke locaties kunnen ook in de werkelijkheid voorkomen door bijvoorbeeld verzakkingen of een verkeerde aanleg. Maar vaak zijn ze in een model het gevolg van een foutief ingevoerde hoogteligging van een of enkele elementen in een systeem, zoals omgewisselde b.o.b.'s, waardoor een zaagtandpatroon in de lengtedoorsnede van de leidingen ontstaat. Verloren berging kan ook ontstaan door foutief ingevoerde pompniveaus (hetzij het te handhaven peil met toerenregeling, hetzij foutieve waarden voor het uitslagpeil van een gemaal).

Figuur B Verloren bergingVergroot afbeelding

Figuur B geeft enkele voorbeelden van verloren berging weer. U kunt op verloren berging testen met speciaal daarvoor geschreven software of via een hydrodynamisch rekenmodel. De procedure via een rekenmodel is vrij eenvoudig. U maakt een modelberekening zonder hydraulische belasting (dus geen droogweerafvoer en geen neerslag) en start met een gevuld systeem. U rekent het model door tot de peilen niet meer veranderen. Als het goed is, wordt het systeem leeggepompt of loopt het leeg via uitlaten. Als stabiele waterniveaus zijn bereikt, kunt u eenvoudig nagaan op welke locaties nog water aanwezig is. Dat zijn de locaties met verloren berging.

Met de test via een hydrodynamisch rekenmodel is het niet eenvoudig om de omvang van de verloren berging per locatie na te gaan. Met speciaal hiervoor geschreven software kan dat wel, wat als voordeel heeft dat u kunt inschatten wat de werkelijke stelselberging is bij verloren berging door verzakking (dus conform de werkelijkheid). Dit laatste is ook van belang als u met een gedetailleerd hydrodynamisch model een reservoirmodel wilt opzetten om reeksberekeningen te maken. De berging in deze modellen moet immers zo goed mogelijk overeenkomen met de werkelijkheid.

Hydraulische belastingen

Controleer de ingevoerde van hydraulische belastingen in elk geval op de volgende aspecten:

  • Klopt de eenheid van de belasting in het rekenmodel? Heb u bijvoorbeeld geen fout gemaakt door de eenheid L te verwarren met m3 of l/s/ha met mm/h?
  • Klopt de som van de belastingen in het rekenmodel? Klopt de dwa met een schatting op basis van totaal inwoneraantal en is de som van de neerslag te verwachten bij de lengte van de neerslagreeks?

Overige controles

Na de primaire validatie kunt u met een simulatie modeluitkomsten gaan genereren. Maar voordat u de simulatieresultaten vervolgens kunt gebruiken en presenteren, moet u eerst nog de kwaliteit ervan controleren (zie Controle rekenresultaten op onlogische uitkomsten en Toetsing modelresultaten aan praktijk).

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel