Infiltratiekolken en putten zijn voorzien van openingen, waardoor het water kan infiltreren. Het zijn voorzieningen die geschikt zijn voor kleinschalige oplossingen (bijvoorbeeld het afkoppelen van daken van woningen of schuren).

Werking
De volgende processen bepalen de zuiverende werking bij ondergrondse infiltratie:

  • filterende werking van de bodem (zwevend stof blijft in het zand naast de voorziening achter);
  • adsorptie aan reactieve gronddeeltjes in de vaste bodem (met name organisch stof, metaaloxides en kleideeltjes);
  • afbraak door microbiële omzettingsprocessen;
Om de infiltratievoorziening goed te laten functioneren, moet de voorziening aan een aantal eisen voldoen:
  • om een goede infiltratie te waarborgen, moet het zandpakket waarin de voorziening ligt voldoende doorlatend zijn;
  • om een goede infiltratiecapaciteit te waarborgen en om voldoende tijd en ruimte voor de zuiveringsprocessen te garanderen, moet de afstand tot het grondwater voldoende groot zijn;
  • met het oog op de gewenste emissiereductie moet de belasting met verontreinigingen per m3 bodemmateriaal beperkt zijn;

Als de vuilconcentraties de gestelde normen overschrijden, moet u de infiltratievoorziening opgraven en moet u de vervuilde grond vervangen.

Zuiveringsrendementen
Er is weinig gemeten aan het zuiveringsrendement van ondergrondse infiltratievoorzieningen. Het zuiveringsrendement is waarschijnlijk minder dan dat van wadi’s. In het ongunstigste geval is alleen sprake van filtratie van niet opgeloste stoffen in de ondergrond. Door de aanwezigheid van organische stof in de ondergrond kan het zuiveringsrendement toenemen. De aanwezigheid van organische stof in het infiltrerende hemelwater zal een positief effect hebben op het vastleggen van zware metalen (adsorptie). Aërobe en anaërobe afbraak spelen een kleinere rol in het zuiveringsproces.

In de praktijk zijn voorbeelden bekend (o.a. gemeente Den Bosch) waarin de ondergrond onder een infiltratieriool is verrijkt met actieve koolstof en ijzeroxide om het zuiverend effect van de bodem te vergroten. Over het effect van deze toevoegingen is vooralsnog weinig bekend.

Ontwerp
In de stedelijke waterhuishouding zal het bergingsvraagstuk de komende tijd een steeds belangrijkere rol gaan spelen. Door toename van de neerslag(intensiteit) en de toenemende verstedelijking zullen gemeenten en waterschappen meer berging moeten creëren om wateroverlast te voorkomen. Als de infiltratievoorziening ook een rol moet spelen in het creëren van berging, moet u de gewenste berging in de infiltratievoorziening en het oppervlaktewater bij voorkeur door middel van een integrale afweging bepalen.

Emissie op oppervlaktewater
Vanuit het oogpunt van de belasting op oppervlaktewater kunt u aanhouden dat maximaal 10% van het afstromende water (circa 60 mm) ongezuiverd mag overstorten op oppervlaktewater.

Rekenwaarde doorlatendheid ondergrond
De doorlatendheid van de ondergrond moet u bepalen aan de hand van boringen en infiltratieproeven. Met het oog op de onzekerheden in de praktijk en het teruglopen van de infiltratiecapaciteit door vervuiling gebruikt u een veiligheidsfactor van 2 of 3 op de gemeten waarde.

Berging en infiltratieoppervlak
Het beste realiseert u een minimale berging van 15 mm in de infiltratievoorzieningen en een groot infiltratieoppervlak. Vaak gaan deze parameters samen. Een groot infiltratieoppervlak zal minder snel vervuilen dan een klein oppervlak. 

Voorkomen vervuiling
Bij de toepassing van ondergrondse infiltratievoorzieningen moet u in alle gevallen voorzieningen installeren voor het afvangen van bladeren en andere grove bestanddelen.

Beperken vervuiling infiltratieoppervlak
Het vervuilen van het infiltratieoppervlak kunt u beperken door de opwoeling van vuil te beperken. Hierdoor zal voornamelijk de bodem vervuilen en in veel mindere mate de wanden. Opwoeling kunt u beperken door de inlaten niet rechtstreeks op de infiltratievoorzieningen aan te sluiten, maar bijvoorbeeld via de putten.

Overloopvoorziening
De infiltratievoorziening moet voorzien zijn van een overstortingsmogelijkheid. De afvoercapaciteit van het overstortriool kunt u afhankelijk stellen van de frequentie waarmee overstortingen plaatsvinden. Bij zeer ruim gedimensioneerde systemen kunt u volstaan met een afvoercapaciteit van 30 l/(s.ha). 

Beheer
Door infiltratieputten regelmatig te reinigen, verkleint u de kans op dichtslibben van de voorzieningen. Andere maatregelen die het gevaar op verstopping beperkten zijn:

  • een zo groot mogelijk infiltratieoppervlak toepassen;
  • het reduceren van opwoeling van slib door de stroomsnelheden en turbulentie te beperken;
  • het toepassen van (bron)maatregelen om de instroom van vervuiling te beperken.

Het zandpakket rond de voorziening  zal een deel van de verontreinigingen vastleggen. Bij het verwijderen van de voorziening of wanneer de verontreinigingen in het grondwater te hoog dreigen te worden, dient u de verontreinigde grond te verwijderen.

Overig
Ondergrondse infiltratie scoort slecht op calamiteiten, illegale lozingen en verkeerde aansluitingen. Door de ondergrondse aanvoer is niet zichtbaar wat in de infiltratievoorzieningen terecht komt. Eventuele verontreinigingen die in de bodem terechtkomen zijn bovendien moeilijk te verwijderen. Bij toepassing van deze voorzieningen moet u aanvullende maatregelen treffen om de kans op problemen op dit betreffende punt te minimaliseren.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Previous article Next article