Voor de kwantitatieve werking van de toplaag van een oppervlakte-infiltratievoorziening zijn twee parameters van belang:
  • infiltratiecapaciteit
  • berging.
Direct na aanleg dient u de nulsituatie van beide parameters te bepalen. Dat is het uitgangspunt voor het bepalen van de leegloopsnelheid, de overstortingsfrequentie, het overstortingsvolume en het infiltratiepercentage op lange termijn.
 
De infiltratiecapactiteit hangt vooral af van de doorlatendheid van de bodem in relatie tot het beschikbare contactoppervlak. U kunt de doorlatendheid van de ondergrond op verschillende manieren bepalen:
  • met een bodemkaart of boringen grondsoorten bepalen
  • zeefkrommen van bodemmonsters analyseren
  • doorlatendheden van de ondergrond in het veld meten.
Vanzelfsprekend bepaalt u de eigenschappen van de bodem rond het niveau waarop de voorziening zich bevindt.
 
Met bodemkaart of boringen grondsoorten bepalen
U kunt een eerste schatting van de doorlatendheid van de ondergrond maken op basis van bodem-kaarten of lokaal genomen boringen. In het laatste geval verkrijgt u een goed beeld van de vertica-le opbouw van de bodem en van de eventuele aanwezigheid van slecht doorlatende lagen. Tabel A geeft een indicatieve waarde voor de horizontale doorlatendheid van een aantal grondsoorten (bron: Polytechnisch zakboekje).
 
Grondsoort Doorlatendheid k in m./dag
Grind 1000 x
Grof zand met fijn grind 100 1000
Grof zand 10 100
Fijn zand 1 10
Zeer fijn zand 0,1 1
Sterk leemhoudend zand 0,001 0,1
Zandige klei 0,00001 0,001
Klei x 0,00001

Tabel A Doorlatendheid van de ondergrond (indicatief)


Zeefkrommemethode
Bij de zeefkrommemethode neemt u in het veld een grondmonster; dit kan op elke gewenste diepte. De nabewerking in een laboratorium is echter nogal bewerkelijk. Er zijn verschillende uitwerkings-methoden. Deze methode is alleen geschikt voor redelijk tot goed doorlatende gronden. De benadering is minder nauwkeurig dan een meting in het veld.
 
Doorlatendheden in het veld meten
In het veld meten geeft de meest nauwkeurige benadering. Het aantal meetpunten dat daarbij nodig is, is afhankelijk van de homogeniteit van de opbouw van de ondergrond.
Er zijn veel methoden om metingen uit te voeren. De meest bekende methoden om de verzadigde doorlatendheid in de onverzadigde zone (boven de grondwaterspiegel) te meten, zijn:

  • de omgekeerde-boorgatmethode. Bij de omgekeerde-boorgatmethode plaatst u een filter in een boorgat tot een diepte van maximaal 2 m. U vult dit filter voor een meting met water. De snelheid waarmee het water wegzakt in de bodem, is een maat voor de doorlatendheid. U moet deze proef een aantal keren herhalen om de bodem rond het filter te verzadigen.
  • de infiltrometerproef. De infiltrometerproef meet de zaksnelheid van het water met een ring. Om randeffecten te beperken, kunt u de proef met een dubbele (binnen en buiten) ring uitvoeren. U meet de zaksnelheid dan in de binnenring.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel