Voor de regulering tussen de onregelmatige aanvoer en de vaste afvoerdebieten van de pomp heeft de ontvangkelder een buffer of pendelberging. Deze berging ligt tussen het in- en uitslagpeil van de pomp. Het is aan te bevelen de pendelberging zodanig te dimensioneren, dat de pomp maximaal tien tot vijftien keer per uur aanslaat. Door de pompen afwisselend te laten aanslaan, verdubbelt u het aantal starts en beperkt u daarmee de pendelberging. Ook een toerental geregelde pomp kan leiden tot een kleinere pendelberging. Kleinere putafmetingen zijn beter voor het zelfreinigend vermogen van de put en het storingsvrij functioneren van de pomp.

Berekening pendelberging
De pendelberging kunt u als volgt berekenen:

V = (1/n) * Qt * (Qp - Qt) / Qp

V = volume (m3)
n = starts per uur (h-1)
Qt = toevoer (m3/h)
Qp = afvoer pomp (m3/h)

Door differentiatie is aan te tonen dat n maximaal is bij Qt = 0,5 * Qp.

Daarmee is de formule te vereenvoudigen tot:

V = Qp  /( 4 * n)

Het inslagpeil van de pomp ligt maximaal op gelijke hoogte als de binnenonderkant (b.o.b.) van het laagstinkomende riool. Voorkom bij de keuze van het uitslagpeil dat lucht wordt aangezogen. De bodem van de kelder ligt ongeveer 0,5 m onder het uitslagpeil.
 

Voorbeeldgemaal: pendelberging
Het voorbeeldgemaal heeft een pompcapaciteit van 100 m3/h. De opstelling bestaat uit twee pompen die elkaars reserve zijn en afwisselend worden ingeschakeld. Daarmee komt het maximum aantal schakelingen op twintig tot dertig per uur.
 
Bij een keuze voor n = 20 is de benodigde pendelberging 100 / ( 4 * 20) = 1,25 m3.
 
Het inwendige oppervlak van de pompput is 1,6 m x 1,6 m = 2,56 m2. Het verschil tussen in- en uitslagpeil bedraagt dus 1,25 / 2,56 = 0,49 m.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel