De kruipruimte is primair bedoeld om leidingsystemen te kunnen aanbrengen en bereikbaar te houden. De hoogte van de kruipruimte is dan ook afgestemd op bereikbaarheid van leidingen.
 
De bodem van de kruipruimte bestaat in de meest eenvoudige vorm uit zand. Bij een grofzandige kruipruimtebodem is het zand vlak boven de grondwaterstand nog enigszins vochtig. Grondwater trekt omhoog tussen de bodemdeeltjes door. Dit proces heet capillaire opstijging.
 

 
De mate waarin dit plaatsvindt, is primair afhankelijk van de afmetingen van de capillairen tussen de zanddeeltjes en wordt dus bepaald door de zandgradatie. Hoe fijner het zand is, hoe hoger het vochtfront in de kruipruimte kan optrekken. Bij een grofzandige kruipruimtebodem moet het grondwater ten minste 0,2 meter onder die bodem staan om verdamping van grondwater in de kruipruimte effectief tegen te gaan. Bestaat het bodemmateriaal uit kleinere capillairen, dan zal de bodem vochtig zijn en blijven. Hoewel er veel vocht verdampt, droogt de bodem niet uit. Er is permanente aanvulling van vocht naar de kruipruimte, wat leidt tot een hoge relatieve vochtigheid in de kruipruimte.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel