Geschiedenis

De slechte woonomstandigheden van arbeiders in de 19e eeuw leidden in 1901 uiteindelijk tot de Woningwet. De Woningwet verplicht elke gemeente een bouwverordening vast te stellen. Hierin staan eisen om de veiligheid, gezondheid en het welbehagen van de burgers te garanderen. Om stankoverlast te voorkomen, kon de gemeente bijvoorbeeld in de bouwverordening opnemen: “... voldoende gelegenheid bieden tot het gemakkelijk doorsteken van verstoppingen en tot ontwijking van rioolgassen.” Maar algemene regelgeving voor be- en ontluchting was er niet.

Huidige regelgeving

In 1992 werd het eerste Bouwbesluit van kracht. Hierin staan bouwtechnische voorschriften, zogenaamde prestatieeisen, waaraan een bouwwerk minimaal moet voldoen. Voor de invulling van de eisen verwijst het Bouwbesluit naar NEN-normen. Maar het is niet verplicht deze NEN-normen te volgen, zolang u kunt aantonen dat het bouwwerk aan de prestatieeisen voldoet.
 
In het Bouwbesluit staat dat een voorziening voor de afvoer van afvalwater, fecaliën en regenwater een bepaalde capaciteit (NEN 3215) heeft, die ten minste gelijk is aan de bepaalde belasting (volgens NEN 3215) voor die voorziening. Over be- en ontluchting zegt het Bouwbesluit niets.

Model Bouwverordening

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in 1992 een Model Bouwverordening opgesteld. De artikelen die op de riolering van toepassing zijn, gaan niet over de binnen- maar over de buitenriolering. Deze moet een voldoende binnenwerkse middenlijn hebben van minimaal 125 mm. In de Model Bouwverordening komt be- en ontluchting niet aan de orde.

NEN 3215

De scope van de NEN 3215 is beperkt tot de binnenriolering. De norm beperkt zich tot vijf prestatie-eisen voor de afvoercapaciteit en dichtheid van leidingen, en de plaatsbepaling van dak-uitmondingen. Over be- en ontluchting van de buitenriolering staat niets, omdat zij zich beperkt tot eerder genoemde prestatieeisen.

NTR 3216

In 1997 is de NTR 3216 opgesteld. Deze publicatie geeft richtlijnen voor ontwerp en uitvoering van de binnenriolering. Uitgangspunt is dat het bouwwerk geen regenwateroverlast mag ondervinden als de buitenriolering niet goed werkt. De hemelwaterafvoer moet dus zo autonoom mogelijk zijn, zo nodig via noodafvoersystemen conform NEN 6702 en NPR 6703 en/of ontlastputten volgens NEN 3215 en NTR 3216.
 
In de NTR 3216 staan geen rekenregels voor be- en ontluchting van de buitenriolering. Wel komt de be- en ontluchtingsfunctie aan de orde, zoals in Verzakking van de aansluiting: “Ontspanningsleidingen hebben tot doel de ont- en beluchting van de binnenriolering en buitenriolering te waarborgen.” En in paragraaf 4.3.4: “In Nederland wordt van oudsher gekozen de openbare riolering via de ontspannings-leidingen van de binnenriolering te beluchten en te ontluchten.” Verderop in paragraaf 4.3.4 staat: “Binnenrioleringsbeluchters op standleidingen, als alternatief voor een vrije uitmonding boven het dak, belemmeren de ontluchting van de buitenriolering.”

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel