Het functioneren van het oppervlaktewatersysteem heeft veel invloed op het functioneren van de afval-, hemel- en grondwatervoorzieningen in stedelijk gebied. De oppervlaktewaterstand vormt een randvoorwaarde voor de afvoer vanuit drainagestelsels en hemelwateruitlaten. Bij neerslag kan een verhoogde oppervlaktewaterstand via de overstorten direct invloed hebben op het functioneren van de achterliggende gemengde en verbeterd gescheiden rioolstelsels. In het Systeemoverzicht Stedelijk Water (SSW) moet u dus ook een paragraaf opnemen waarin u op hoofdlijnen het hydraulisch functioneren van het oppervlaktewatersysteem beschrijft.

Oppervlaktewaterstanden als randvoorwaarde

Tijdens hevige of langdurige neerslag is de daadwerkelijke oppervlaktewaterstand hoger dan het streefpeil. Om de waterstanden te bepalen, kunt u de modelmatige watersysteemanalyse gebruiken die de peilbeheerder periodiek uitvoert (zie hieronder bij 'Watersysteemanalyse'). Ook hebben waterschappen meetnetten ingericht die oppervlaktewaterstanden monitoren. U kunt de model- en/of meetresultaten – bijvoorbeeld de hoogste waterstanden – gebruiken als randvoorwaarde voor uw rioleringsberekeningen.

Watergangen meenemen in rioolmodel

Als hydraulische knelpunten in ontvangende watergangen terugstuwing veroorzaken die invloed heeft op het functioneren van overstorten of hemelwateruitlaten, kunt u deze watergangen het best meenemen in het hydrodynamische rioolmodel (zie de kennisbankpagina Modelafbakening).

Watersysteemanalyse

Het doorrekenen van een regionaal stroomgebied of een poldersysteem (zoals de hierboven genoemde watersysteemanalyse) valt buiten het bestek van gemeentelijke watertaken en de kennisbank. Meer informatie hierover vindt u bijvoorbeeld in STOWA-rapport 2018-68.

Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel