Werkwijze

Een ATU (Afzetting Traceer Unit)-systeem bestaat uit een drijvende en een zinkende druksensor. De inspecteur trekt deze sensoren met een constante snelheid door een vooraf gevulde leiding. De gemeten waarden legt hij direct vast (in een computer). Ook kan hij met deze methode de slibdikte in de leiding vaststellen.

Toepassing

  • Nader onderzoek.
    Als u afstromingsproblemen vermoedt of constateert, kunt u met een ATU-meting vaststellen of, en zo ja in welke mate, de hoogteligging van (een deel van) het stelsel afwijkt. Ook plaatselijke verzakkingen zijn hiermee te meten. Het systeem werkt in met water gevulde leidingen en kunt u dus goed inzetten bij leidingen die lastig leeg te maken zijn, zoals transportriolen en persleidingen.

Registratie

De inspecteur vertaalt de hellingshoekmeting naar hoogteligging ten opzichte van de putdeksel of NAP (als de exacte NAP-hoogte van de putdeksel bekend is).

Het inspectiebedrijf levert de meetresultaten aan in een rapportage in uitwisselformaat GWSW.RibX onder code BXA A (relatieve hoogte) of BXA B (absolute hoogte).

Beperkingen

  • Het ATU-systeem heeft een dieptebereik van 40 m.
  • De meting kan alleen plaatsvinden in gedeeltelijk gevulde buizen.
  • Een ATU-meting is inzetbaar bij diameters vanaf 100 mm bij gebruik van één sensor en 160 mm bij gebruik van twee sensoren.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel