Een kant-en-klaarrecept voor de selectie van een geschikte afwegingsmethode bestaat niet. Toch is er wel enige richting aan te geven. De eerste stap daarbij is het typeren van het vraagstuk op basis van de eerdergenoemde factoren (overzichtelijkheid, aantal actoren, bestuurlijke en maatschappelijke aandacht). De keuze van een geschikte afwegingsmethode hangt vervolgens samen met het type afwegingsvraagstuk, zie figuur A.
 

Figuur A. Relatie tussen type vraagstuk en soort afwegingsmethode
 
Elk van de drie factoren leidt tot een beoordeling van het afwegingsvraagstuk op het betreffende aspect. Aan de hand van de drie beoordelingen kan vervolgens het afwegingsvraagstuk getypeerd worden. Die typering van het vraagstuk geeft richting aan de keuze van een geschikte afwegingsmethode, zonder onmiddellijk een bepaalde methode voor te schrijven. Uiteraard zitten er tussen de verschillende typen per definitie grijze gebieden en bestaat een één-op-één relatie tussen type vraagstuk en een specifieke afwegingsmethode niet.
 
In figuur 1 staat aan de linkerkant de impact van een bepaalde keuze centraal. In het midden van de reeks draait het om de balans tussen (noodgedwongen onvolledige) inhoudelijke aspecten en de belangen van verschillende actoren. Aan de rechterkant ligt de nadruk bijna helemaal op de inhoud en kan de beste keuze als het ware uitgerekend worden.
 
Bij alle pogingen tot ordening en structuur mag echter niet uit het oog verloren worden dat beslissen, afwegen, prioriteiten stellen en kiezen altijd mensenwerk blijft, met alle mogelijkheden en beperkingen van dien (zie nevenstaand kader).
 
Alle stappen in beslisprocessen worden beïnvloed door menselijke eigenschappen. Enkele aansprekende voorbeelden daarvan zijn:
  1. Een selectief geheugen. Sommige gebeurtenissen en eerdere beslissingen en acties onthouden we beter dan andere, even relevante. Dit beïnvloedt ons beoordelingsvermogen.
  2. De manier waarop we een situatie beoordelen hangt mede af van onze persoonlijke waarden en onze rol in een beslisproces.
  3. Verschillende criteria voor verschillende personen. Als we bijvoorbeeld zelf een kaartje voor het theater zoek gemaakt hebben zijn we wellicht bereid een nieuw kaartje te kopen, maar als het theater een fout heeft gemaakt niet. Dit ondanks het feit dat het financiële nadeel identiek is.
  4. We hechten de meeste waarde aan onze eigen ervaringen en die van onze vertrouwelingen. Andere informatie, bijvoorbeeld uit rapporten, geven we minder gewicht.
  5. Wishful thinking en zelfoverschatting is niemand vreemd. Ons eigen beoordelingsvermogen is feilbaar, maar dat willen we liever niet weten.
  6. Toeval of kunde? Als iets waarvoor we zelf verantwoordelijk zijn goed verloopt zijn we geneigd te denken dat onze eigen acties daar voor gezorgd hebben, terwijl dat helemaal niet zo hoeft te zijn. Soms gaan dingen gewoon ‘vanzelf’ goed.
  7. Intuïtieve twijfel. Het komt voor dat bepaalde informatie niet strookt met ons gevoel, maar dat het toch niet mo-ge-lijk is om die informatie te weerleggen. Hoe gaan we om met dergelijke intuïtieve twijfel?
  8. ‘Sunk costs’ is het verschijnsel dat een eenmaal ingeslagen weg bijna blindelings gevolgd blijft worden omdat er al zo veel geld aan besteed is. Van een goede beoordeling en afweging is dan geen sprake meer.
Dergelijke valkuilen kunnen deels omzeild worden door er bewust mee om te gaan. Dat komt tot uitdrukking in de volgende aanpak:
  1. Het omschrijven en vaststellen van het probleem niet alleen vanuit de eigen invalshoek benaderen, maar ook (door inschatting of onderzoek) vanuit de gezichtspunten van de andere actoren. Zo kan de probleemformulering andere accenten krijgen of er zelfs geheel anders uit gaan zien. Bij de identificatie van de doelen, het beoordelen van de informatie en de keuze van een hulpmiddel is dit van groot belang;
  2. De te bereiken doelen duidelijk formuleren, om daarmee structuur te bieden;
  3. Zo veel mogelijk informatie verzamelen over de technische, organisatorische, maatschappelijke en persoonlijke aspecten die van invloed (kunnen) zijn op de afweging en het rangschikken daarvan in maximaal vijf categorieën;
  4. Uitvoeren van een gevoeligheidsanalyse bij twijfel over de uitkomsten;
  5. Evalueren / monitoren van de uitkomsten om zwakheden / fouten in de afweging op het spoor te komen.
Exclusief voor leden
Geïnteresseerd in dit artikel? Log in!
En krijg toegang tot dit artikel en andere besloten delen van de website, met o.a. de kennisbank, beeldenbank en onderzoekspublicaties.
Vorige artikel Volgende artikel